ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1216
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening wegens schending wettelijke termijn bij aanvraag verblijfvergunning
Verzoekster, een Nigeriaanse vreemdeling, diende op 28 september 1999 een aanvraag in voor verlening van een vergunning tot verblijf bij partner op humanitaire gronden. Verweerder stelde deze aanvraag op 15 november 1999 buiten behandeling wegens vermeend verzuim. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster op 12 oktober 1999 gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om het verzuim te herstellen door aanvullende stukken te overleggen. De termijn van vier weken waarbinnen verweerder een besluit moest nemen, eindigde derhalve op 9 november 1999. Het buiten behandeling stellen van de aanvraag na deze datum was in strijd met artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verwierp het standpunt van verweerder dat de termijn verlengd zou zijn omdat verzoekster op 15 november 1999 in persoon moest verschijnen. De president stelde vast dat deze verplichting niet relevant was voor de termijn van artikel 4:5 Awb Pro. Verweerder werd veroordeeld om alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag en werd veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en veroordeelt verweerder tot het nemen van een inhoudelijk besluit binnen de wettelijke termijn.