ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1106
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster, een Colombiaanse vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid in loondienst. Deze aanvraag werd door verweerder buiten behandeling gesteld omdat verzoekster niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste volgens artikel 16a van de Vreemdelingenwet.
Verzoekster stelde in het bezwaarschrift dat zij niet in staat was een mvv aan te vragen vanwege haar vlucht voor ernstig geweld in haar land van herkomst, en dat zij daardoor in aanmerking zou komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden niet tijdig waren aangevoerd bij de aanvraag en dat de aanvraag op basis van de toen bekende feiten terecht buiten behandeling was gesteld.
De rechtbank benadrukte dat de bezwaarprocedure slechts aanleiding geeft tot heroverweging indien nieuwe feiten een nieuw licht werpen op het oorspronkelijke besluit. Omdat verzoekster geen feiten had aangevoerd ten tijde van haar aanvraag en niet aannemelijk had gemaakt dat zij daartoe niet in staat was, werd het bezwaar ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en de uitzetting mocht doorgaan.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.