ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0889
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.C.J. van Dooijeweert
- M.A.A. Mondt-Schouten
- J.P. Smit
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot uitzetting en bewaring vreemdeling onder Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een vreemdeling die op 23 maart 2001 in bewaring werd gesteld op grond van de oude Vreemdelingenwet 1994, waarna de nieuwe Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001 in werking trad. De vreemdeling betoogde dat onder de nieuwe wet geen bevoegdheid meer bestond tot uitzetting zonder een beslissing op de toelatingsaanvraag. De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van de nieuwe wet en de overgangsrechtelijke bepalingen.
De rechtbank stelde vast dat het begrip 'recht' in artikel 121, tweede lid, Vw 2000 alleen betrekking heeft op procesrechtelijke regels, en dat het materiële recht van de nieuwe wet onmiddellijke werking heeft. De bevoegdheid tot uitzetting moet daarom worden gevonden in de Vw 2000, waarbij artikel 59 Vw Pro 2000 de grondslag vormt voor bewaring en artikel 63 Vw Pro 2000 de bevoegdheid tot uitzetting regelt.
De rechtbank interpreteerde artikel 63, eerste lid, Vw 2000 zodanig dat de verwijzing naar artikelen 27 en 45 niet beperkt tot gevallen waarin een beslissing op een toelatingsaanvraag is genomen. De toevoeging was bedoeld om te verduidelijken dat in sommige gevallen geen afzonderlijk uitzettingsbesluit nodig is. De maatregel van bewaring was op juiste grondslag genomen, gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf en het vermoeden van ontduiking van uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat voldoende zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat en dat de bewaring niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en uitzetting van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.