ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0043

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/67318
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.E. Dettmeijer-Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 33a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering vergunning verblijf op grond van tijdelijke regeling witte illegalen

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, verzocht om een vergunning tot verblijf op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23). Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het niet zijn uitgezet sinds 1 januari 1992. Eiser was echter in 1996 en 1997 uitgezet, hetgeen hij ook erkende.

De rechtbank overwoog dat de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb Pro, slechts beperkt van toepassing is binnen het witte illegalenbeleid. Factoren als langdurig verblijf en integratie kunnen geen bijzondere omstandigheden vormen om van het beleid af te wijken, omdat deze reeds in het beleid zijn meegewogen.

De rechtbank concludeerde dat de weigering om eiser toe te laten niet onevenredig is in verhouding tot de beleidsdoelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die gebruik van de afwijkingsbevoegdheid rechtvaardigen. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond en wordt het onderzoek gesloten op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld. De rechtbank zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen aan een van de partijen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
nevenzittingsplaats Dordrecht
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 33a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 00/67318 VRWET
Inzake : A, eiser, domicilie kiezend ten kantore van zijn gemachtigde mr.H.K. Jap-a-Joe, advocaat te Utrecht,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser, geboren op [...] 1962, bezit de Marokkaanse nationaliteit en verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Eiser heeft verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) op grond van
de 'tijdelijke regeling witte illegalen' zoals neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Verweerder heeft dit verzoek op 14 juni 2000 niet ingewilligd.
Eiser heeft op 26 juni 2000 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Verweerder heeft op 3 oktober 2000 dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Op 25 oktober 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij
kennelijk onbevoegd is danwel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Voor het antwoord op de vraag of termen bestaan voor toepassing van dit artikel toetst de rechtbank als volgt.
Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk ongegrond, wanneer uit het beroepschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die
conclusie. Daartoe wordt de inhoud van het beroepschrift beoordeeld in samenhang met de motivering van het bestreden besluit en met hetgeen in bezwaar door betrokkene is aangevoerd.
2. Na te hebben kennis genomen van de stukken, acht de rechtbank in dit geval termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro uitspraak te doen. Zij overweegt daartoe het volgende.
3. Ingevolge TBV 1999/23 wordt een verzoek om advies over de mate van inburgering door de commissie van burgemeesters slechts in behandeling genomen, indien -cumulatief- wordt voldaan aan acht in dit TBV genoemde voorwaarden. De
rechtbank acht dit beleid, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis, niet kennelijk onredelijk.
De vreemdeling mag blijkens punt 5 van het TBV niet zijn uitgezet in de periode vanaf 1 januari 1992.
4.1. De rechtbank stelt vast dat eiser niet aan voorwaarde 5 van genoemd beleid voldoet, nu hij op 21 juni 1996 en bovendien ook op 26 december 1997 is uitgezet, hetgeen eiser ook met zoveel woorden erkent in zijn bezwaar- en in
zijn beroepsschrift.
4.2. Ten aanzien van de vraag of verweerder in het onderhavige geval van zijn zogeheten inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) gebruik zou moeten maken, overweegt de rechtbank
het volgende. Volgens artikel 4:84 dient Pro verweerder te handelen overeenkomstig zijn beleidsregel, "tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding
tot de met de beleidsregel te dienen doelen."
De rechtbank plaatst in dit kader voor op hetgeen de rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank heeft geoordeeld in haar uitspraak van 18 juni 1998, kenmerk AWB 1998/1090 VRWET. In deze uitspraak heeft de REK geoordeeld (r.o. 18)
dat in het kader van het driejarenbeleid niet als een bijzondere omstandigheid kan worden beschouwd langdurig verblijf in Nederland of integratie van de vreemdeling in de Nederlandse samenleving. Dit omdat deze omstandigheden
verweerder mede hebben gebracht om een beleid te gaan voeren met betrekking tot tijdsverloop en welke omstandigheden in dat beleid reeds zijn meegewogen.
De rechtbank is dienovereenkomstig van oordeel dat ook in het kader van het onderhavige "witte illegalenbeleid" integratie of langdurig verblijf in de Nederlandse samenleving niet als een bijzondere omstandigheid kan worden
beschouwd, nu zulks eveneens een reden is geweest voor verweerder om het onderhavige witte illegalenbeleid te gaan voeren.
4.3. Ten aanzien van de voorwaarde van artikel 4:84 Awb Pro dat sprake moet zijn van onevenredigheid in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, merkt de rechtbank het volgende op. De weigering om een vreemdeling tot
Nederlands toe te laten heeft onmiskenbaar een ingrijpend karakter. Factoren als langdurig verblijf en integratie van de vreemdeling spelen daarbij een grote rol. De (beleids-) regelgever heeft zich dat aangetrokken, getuige de
omstandigheid dat er thans wederom een regeling is getroffen voor vreemdelingen die onder eerdere regelingen voor witte illegalen niet voor toelating in aanmerking kwamen, doch thans alsnog een kans daartoe krijgen, onder gestelde
voorwaarden die democratisch gelegitimeerd zijn. Deze voorwaarden beogen om in een aantal gevallen alsnog vreemdelingen toe te laten, en in een aantal gevallen juist niet. Nu in het beleid uitdrukkelijk een aantal categorieën is
uigesloten van toelating, kan niet gezegd worden dat de weigering om een vreemdeling toe te laten van onevenredigheid getuigt in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het doel is immers juist (mede) om een aantal
vreemdelingen uit te sluiten.
Zulks impliceert dat de verplichting van verweerder om in voorkomend geval gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid in het witte illegalenbeleid een uiterst beperkte verplichting kan zijn.
4.4. Ten aanzien van eiser is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. De stelling van eiser in beroep
dat hij na zijn uitzettingen spoorslags is teruggekeerd en aldus zijn woonplaats niet had opgegeven, kan hieraan geenszins afdoen.
Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd om in geval van eiser advies te vragen aan de commissie van burgemeesters over de mate van inburgering.
5. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het onderzoek wordt derhalve gesloten en de rechtbank beslist zoals hieronder is
aangegeven.
6. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
IV. RECHTSMIDDEL.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet
te worden gehoord.
Aldus gedaan door mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. W. van Moergastel, griffier.
afschrift verzonden op: