ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9604
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige oplegging vrijheidsontnemende maatregel wegens onduidelijkheid uitstel van vertrek
De vreemdeling werd op 5 januari 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet. De maatregel werd aangevochten omdat het gezin van de vreemdeling sinds 21 september 1998 uitstel van vertrek had gekregen, dat niet schriftelijk was ingetrokken. De rechtbank stelde vast dat het uitstel van vertrek was verleend in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar een verkrachting binnen het gezin, dat eind november 1998 werd beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat het uitstel van vertrek een geclausuleerd karakter had en dat de vreemdeling en haar gemachtigde erop mochten vertrouwen dat zij schriftelijk geïnformeerd zouden worden over de beëindiging van het uitstel. Dit is niet gebeurd, waardoor de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet gerechtvaardigd was. De rechtbank stelde vast dat het gezin illegaal verbleef na het verstrijken van een vertrektermijn, maar dat het uitstel van vertrek de situatie complex maakte.
Verder concludeerde de rechtbank dat de maatregel disproportioneel was en dat na indiening van een aanvraag tot verblijf op 7 januari 2001 de grondslag voor bewaring had moeten wijzigen. De rechtbank besloot de maatregel van bewaring op te heffen met ingang van 17 januari 2001. Over het verzoek om schadevergoeding en proceskosten zou later worden beslist.
Uitkomst: De maatregel van bewaring werd onrechtmatig geacht en opgeheven met ingang van 17 januari 2001.