ECLI:NL:RBSGR:2000:ZF4003
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken wettelijke identificatieplicht
Op 14 december 1999 werd de vreemdeling in bewaring gesteld wegens het ontbreken van geldige verblijfs- en identiteitsdocumenten. Tijdens een controle op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) kon de vreemdeling geen identiteitsbewijs tonen. De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of toezichthouders bevoegd waren om inzage in dergelijke documenten te verlangen, aangezien deze bevoegdheid met ingang van 1 januari 1998 was vervallen door de invoering van artikel 5:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank oordeelde dat onder 'zakelijke gegevens en bescheiden' in artikel 5:17 Awb Pro geen documenten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht (WID) vallen. De identificatieplicht moet wettelijk geregeld zijn en kan niet worden afgeleid uit een passage in de Memorie van Toelichting. Hierdoor was de staandehouding en daaropvolgende bewaring onrechtmatig.
Hoewel de bewaring formeel onrechtmatig was, oordeelde de rechtbank dat de vreemdeling zich bewust was van zijn illegale verblijf sinds augustus 1999 en het risico van bewaring had aanvaard. Daarom werd de schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring gematigd tot nihil. De rechtbank veroordeelde de Staatssecretaris van Justitie tot proceskostenvergoeding en wees het beroep toe door de bewaring op te heffen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten; schadevergoeding wordt gematigd tot nihil.