ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0649
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid beleidsregel uitzetting witte illegalen via Roosendaalmethode
Verzoeker, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, vroeg om een vergunning tot verblijf op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23). Verweerder weigerde deze aanvraag omdat verzoeker in december 1992 was uitgezet via de Roosendaalmethode, een fysieke verwijdering die volgens de vijfde voorwaarde van TBV 1999/23 niet is toegestaan.
De kern van het geschil betrof de vraag of uitzetting via de Roosendaalmethode onder de vijfde voorwaarde valt en of het toepassen van deze voorwaarde redelijk is, gezien eerdere jurisprudentie van het Benelux Gerechtshof en de Hoge Raad die deze methode als onrechtmatig kwalificeerden.
De rechtbank overwoog dat de Roosendaalmethode wel degelijk een fysieke uitzetting is die het einde van de schijn van legaliteit betekent, wat aansluit bij de ratio van het witte illegalenbeleid. Hoewel de methode onrechtmatig werd geoordeeld, betrof dit slechts de wijze van uitvoering en niet de uitzettingsbeslissing zelf. Omdat de onrechtmatigheid pas na de uitzetting werd vastgesteld, kon verweerder verzoeker het niet voldoen aan de vijfde voorwaarde tegenwerpen.
De rechtbank concludeerde dat de beleidsregel in de relevante periode redelijk was toegepast en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel veroordeelde zij verweerder in de proceskosten vanwege een gebrek in de beleidsvoorbereiding. Het bezwaar van verzoeker werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en bezwaar ongegrond verklaard wegens niet voldoen aan vijfde voorwaarde tijdelijke regeling witte illegalen.