ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0065
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen weigering vergunning verblijf Somaliër en Iraakse
Verzoekers, een Somaliër en een Iraakse vrouw, hebben asiel aangevraagd maar kregen geen A- of C-status en werd een vergunning tot verblijf (vvtv) geweigerd. De president van de rechtbank beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker uit Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk vervolging vreest vanwege zijn clanafkomst of bekering tot het christelijk geloof. Verzoekster uit Irak had onvoldoende zwaarwegend asielrelaas en geen aannemelijk gevaar voor vervolging door Iraakse autoriteiten of de Koerdische Democratische Partij (KDP).
De rechtbank stelde dat het beleid van weigering van vvtv aan Irakezen met afgewezen asielaanvraag marginaal getoetst kan worden, maar verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoeker wedertoelating tot Noord Irak kan verkrijgen. Gezien het huwelijk tussen verzoekers moest ook rekening worden gehouden met artikel 8 EVRM Pro. De voorlopige voorziening werd toegewezen, uitzetting werd verboden tot op bezwaar is beslist, en verweerder werd veroordeeld in proceskosten.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekers wordt verboden tot op bezwaar is beslist.