ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9777
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.V. van den Berg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van erven in vordering tegen Staat wegens overschrijding redelijke termijn na EHRM-arrest
De erven van melkveehouder [X] vorderden dat de Staat werd veroordeeld tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen bij besluiten omtrent melkquotumtoewijzing en de inrichting van de rechtsgang naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Zij stelden dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door het voorbereiden, vaststellen en handhaven van besluiten in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en nationale regelgeving.
De rechtbank overwoog dat de vordering van de erven betrekking had op besluiten van het CBB uit 1989 en eerdere besluiten uit 1986 en 1987. De Staat stelde dat de erven niet-ontvankelijk waren omdat zij niet binnen een redelijke termijn na het EHRM-arrest van 19 april 1994 hun civiele vordering hadden ingesteld. De rechtbank stelde vast dat een termijn tot twee jaar na het arrest, dus tot 18 april 1996, nog aanvaardbaar was om een civiele procedure te starten.
De erven hadden echter pas in januari 1996 een regeling getroffen waarin zij zich het recht voorbehouden een civiele procedure te starten, maar zij startten de procedure pas bijna 16 maanden later, zonder rechtvaardiging voor deze vertraging. Daarom oordeelde de rechtbank dat de erven niet-ontvankelijk waren wegens overschrijding van de redelijke termijn. De erven werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De erven worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn om de civiele procedure te starten.