ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9459
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om verblijfsvergunning wegens ontbreken nieuwe feiten en uitgesloten hoger beroep
Eiser, een Ghanees die sinds 1994 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn vader. Na eerdere afwijzingen en een ongegrond verklaard beroep, diende hij een nieuwe aanvraag in vlak voor de uitspraak in de eerdere procedure. De rechtbank oordeelde dat deze nieuwe aanvraag feitelijk een poging tot hoger beroep was, wat volgens artikel 33e van de Vreemdelingenwet is uitgesloten.
De rechtbank overwoog dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een heroverweging van het besluit rechtvaardigden. De door eiser aangedragen gewijzigde jurisprudentie en het tijdsverloop tussen besluiten werden niet als voldoende nieuw beschouwd. Daarnaast werd het argument dat de langdurige verblijf en inburgering een reden tot toelating vormen, verworpen omdat deze tijdens illegaal verblijf plaatsvonden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het besluit tot afwijzing handhaafde en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er werden geen proceskosten toegekend en het verzoek tot vergoeding van griffierechten werd afgewezen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 november 2000.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het afwijzende besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.