ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9334
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van tijdelijke regeling witte illegalen
Verzoeker, een Turkse vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen. Verweerder wees de aanvraag af omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij sinds 1 januari 1992 ononderbroken in Nederland verbleef, mede vanwege verblijfsgaten en onvoldoende objectief bewijs.
Verzoeker stelde dat werkgevers- en getuigenverklaringen, waaronder van zijn broer, voldoende waren om verblijf aan te tonen en betwistte de bewijswaardering van verweerder. Tevens voerde hij aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat anderen met vergelijkbare dossiers wel vergunningen kregen.
De president van de rechtbank overwoog dat de regeling geen strikte bewijsvoorschriften bevat, maar verweerder terecht objectief en verifieerbaar bewijs verlangt. Verblijfsverklaringen van derden kunnen onder omstandigheden betekenis hebben, maar in dit geval waren de verklaringen onvoldoende betrouwbaar, mede door discrepanties in adressen en het grote verblijfsgat.
De president achtte het beleid van verweerder niet onredelijk en vond geen aanwijzingen dat verweerder zijn beoordelingsruimte had overschreden of het gelijkheidsbeginsel had geschonden. Ook was geen aanleiding om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de uitzetting mocht doorgaan.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds 1992 ononderbroken in Nederland verbleef.