ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9321
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F. Salomon
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling na overschrijding redelijke termijn zonder uitzicht op verwijdering
De zaak betreft een vreemdeling die sinds februari 2000 in bewaring is gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De bewaring duurde ten tijde van de zitting op 12 september 2000 ongeveer zes en een half maand. De vreemdeling had het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit bemoeilijkt door het opgeven van twee verschillende personalia, waardoor de Surinaamse autoriteiten vertraging opliepen bij het verstrekken van een reisdocument.
De rechtbank stelt vast dat de bewaring langer dan zes maanden heeft geduurd. Volgens de jurisprudentie van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken kan een bewaring langer duren indien er voortdurend zicht is op uitzetting en de vreemdeling weigert mee te werken aan het onderzoek. In dit geval was dat laatste het geval. Echter, sinds de presentatie van de vreemdeling bij de Surinaamse autoriteiten op 15 maart 2000 waren bijna zes maanden verstreken zonder dat een reisdocument was verstrekt.
De rechtbank concludeert dat de kans dat de Surinaamse autoriteiten alsnog een laissez-passer zullen verstrekken zeer klein is. Bij afweging van alle belangen weegt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld zwaarder dan het belang van de staat bij voortduring van de bewaring. Daarom wordt de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig geacht en beveelt de rechtbank de opheffing van de bewaring per 12 september 2000. Een schadevergoeding wordt niet toegekend. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven per 12 september 2000 wegens onrechtmatigheid na overschrijding van zes maanden zonder uitzicht op verwijdering.