ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9286
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdelinge wegens onvoldoende aannemelijk verblijfsrecht Duitsland
De vreemdelinge, van Syrische nationaliteit en verblijvend in het Huis van Bewaring te Zwolle, werd in bewaring gesteld wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en identiteitspapieren, en het illegaal verblijf in Nederland.
Namens haar werd aangevoerd dat zij op grond van het EEG-Verdrag en de Verordening 1612/68 als echtgenote van een werknemer in Duitsland recht op verblijf zou hebben. De rechtbank oordeelde echter dat het enkele feit dat echtgenoten zich mogen vestigen op grond van de Verordening niet betekent dat de vreemdelinge daadwerkelijk verblijfsrecht in Duitsland heeft, vooral omdat zij zich niet bij de Duitse autoriteiten heeft gemeld.
Verder is vastgesteld dat de vreemdelinge zich aan het vreemdelingentoezicht in Duitsland heeft onttrokken en dat er voldoende gronden zijn voor de bewaring, mede vanwege het vermoeden dat zij zich aan uitzetting zal onttrekken.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat dit alleen kan worden toegekend bij opheffing van de bewaring, hetgeen niet aan de orde was. Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.