ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9205
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling zonder concrete aanwijzingen illegaal verblijf
Op 21 augustus 2000 werd de vreemdeling staande gehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De rechtbank onderzocht of de staandehouding rechtmatig was, waarbij werd vastgesteld dat er geen concrete aanwijzingen waren die de staandehouding rechtvaardigden. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling de Nederlandse taal niet machtig was, werd volgens vaste jurisprudentie niet als zodanige aanwijzing beschouwd.
De rechtbank concludeerde dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de daarop volgende ophouding voor verhoor en bewaring eveneens onrechtmatig waren. Op grond hiervan werd de maatregel van bewaring opgeheven met ingang van 2 oktober 2000.
Daarnaast werd de verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op 710 gulden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank 's-Gravenhage en is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2000.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de bewaring wegens onrechtmatige staandehouding.