ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9199

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/66229
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 34a VwArt. 34j VwArt. 26 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onrechtmatige bewaring en toekenning schadevergoeding aan vreemdeling

De vreemdeling, met Palestijnse nationaliteit, werd op 18 september 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet vanwege vermoedens van strafbare feiten en illegaal verblijf. De bewaring werd op 25 oktober 2000 opgeheven, maar door interne problemen werd deze opheffing niet direct geëffectueerd.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring op een juiste juridische grondslag was gebaseerd, gezien het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, identiteitsbewijs en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Het beroep richtte zich op de vraag of de bewaring eerder had moeten worden opgeheven en of een schadevergoeding toegekend moest worden.

De rechtbank stelde vast dat de bewaring tot de dag van opheffing niet onrechtmatig was, maar dat het niet tijdig effectueren van de opheffing een onzorgvuldigheid vormde die de vreemdeling niet kon worden toegerekend. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor die periode en werd een schadevergoeding van 400 gulden toegekend.

Daarnaast werden de proceskosten van 710 gulden aan de vreemdeling toegekend, te betalen door de Staat. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onrechtmatige bewaring en er wordt een schadevergoeding van 400 gulden toegekend.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 34a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 00/66229 VRWET
Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. M. Soffers, advocaat te 's-Gravenhage
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. M.W.W. Raspe, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1984 en de Palestijnse nationaliteit te hebben.
Op 18 september 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).
2. Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit Pro van 13 oktober 2000 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling op 15 oktober 2000 vier weken in bewaring verblijft, zonder dat hij beroep tegen de maatregel van
bewaring heeft ingesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.
3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tevens was ter zitting L. Lakjaa aanwezig, tolk in de Arabische taal.
II. OVERWEGINGEN
1. Ter zitting is namens verweerder aangevoerd dat verweerder de bewaring van de vreemdeling op 25 oktober 2000 heeft opgeheven, zij het dat dit besluit door interne problemen niet op die dag zelf is kunnen worden geëffectueerd. De
rechtbank zal allereerst treden in de vraag of de bewaring eerder dan 25 oktober 2000 had dienen te worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 34j Vw toe te kennen.
2. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.
3. Naar het oordeel van de rechtbank vloeide uit de feiten en omstandigheden als weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding een redelijk vermoeden voort dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een
strafbaar feit. De vreemdeling is immers slapend aangetroffen in zichtbaar opengebroken auto. Gelet op het bepaalde in artikel 52 jo Pro. artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve de bevoegdheid hem aan te houden.
Aangezien hierna is gebleken van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Vw, is de vreemdeling na de beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek terecht staandegehouden ingevolge die
bepaling.
Gelet op het bovenstaande treft de grief van de vreemdeling dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, geen doel.
Voorts doet hieraan niet aan af dat ervan de vernieling geen aangifte is gedaan.
4. De rechtbank is tevens van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige
titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het
ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.
5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de Palestijnse autoriteiten op 21 september 2000 kenbaar hebben gemaakt bekend dat de vreemdeling niet de Palestijnse nationaliteit bezit. De rechtbank is van oordeel dat
verweerder niet de gelegenheid kan worden ontzegd om vervolgens te bezien of aanleiding bestaat om de vreemdeling, die vasthoudt van Palestijnse origine te zijn, bij een ander land te presenteren. De stelling van de gemachtigde van
de vreemdeling dat verweerder niet voortvarend genoeg heeft gehandeld acht de rechtbank ongegrond.
6. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring tot de dag van de opheffing op 25 oktober 2000 ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij
betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.
7. In verband met de in aanhef dezes vermelde problemen is de feitelijke opheffing van de bewaring -onbedoeld- niet op 25 oktober 2000 gerealiseerd, reden waarom verweerder schadevergoeding voor een dag heeft aangeboden. Gelet
hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard omdat verweerder heeft verzuimd het besluit tot opheffing van de bewaring te doen effectueren. De (interne) oorzaak van dat verzuim regardeert de vreemdeling niet.
Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om, gelet op de ernst van zojuist bedoelde onzorgvuldigheid, een schadevergoeding toe te kennen voor een dag onrechtmatige bewaring … f. 400.--
8. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet
van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is
verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond, met dien verstande dat die gegrondverklaring uitsluitend ziet op de periode dat de bewaring door verweerder is opgeheven maar die opheffing niet is geëffectueerd;
2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f. 400,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te
's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger
beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.
Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op
31 oktober 2000 in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.
afschrift verzonden op: