ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9195
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen voortduring vrijheidsbenemende maatregel en proceskostenveroordeling
De vreemdeling had op 27 juni 2000 een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd gekregen na weigering van toegang tot Nederland. Tegen deze maatregel was eerder beroep ingesteld dat ongegrond werd verklaard. Op 26 september 2000 stelde de vreemdeling opnieuw beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel, maar deze was op 28 september 2000 opgeheven.
De rechtbank oordeelde dat het procesbelang van de vreemdeling was vervallen door de opheffing van de maatregel en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank overwoog echter dat verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, op grond van artikel 8:75 Awb Pro in de proceskosten veroordeeld kon worden, omdat de niet-ontvankelijkverklaring het gevolg was van een beslissing van verweerder die tegemoetkwam aan het beroep.
Verweerder stelde dat de opheffing van de maatregel het gevolg was van capaciteitsproblemen in het Grenshospitium en niet van het beroep zelf, maar de rechtbank vond dit onvoldoende aannemelijk. De proceskosten werden vastgesteld op ƒ 1.420,-- en werden aan de griffier toegekend. Tegen deze uitspraak stond geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de Staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van ƒ 1.420,--.