ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8378
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling wegens humanitaire gronden
Verzoeker, een Turkse vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, welke door verweerder werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar, maar werd medegedeeld dat uitzetting tijdens bezwaar niet wordt opgeschort.
Verzoeker betoogde dat hij sinds december 1991 onafgebroken in Nederland verbleef, ondanks eerdere uitzetting in november 1991, en onderbouwde dit met diverse bewijsstukken zoals contributiebetalingen aan een moskee en verklaringen van huisgenoten. Verweerder stelde dat verzoeker niet voldeed aan de eis van ononderbroken verblijf vanaf 1 januari 1992, en dat de overgelegde verklaringen onvoldoende objectief bewijs vormden.
De rechtbank oordeelde dat het begrip woonplaats in de beleidsregels nader verduidelijkt moet worden en dat verweerder zijn toetsingskader dient aan te vullen. Gezien de omstandigheden en de belangenafweging werd het verzoek tot schorsing van de uitzetting toegewezen, waarbij verweerder werd verboden verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang niet op het bezwaar was beslist.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan door de fungerend president van de rechtbank 's-Gravenhage op 12 juli 2000.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de uitzetting wordt toegewezen; uitzetting wordt verboden totdat op bezwaar is beslist.