ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8261
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker, een Turkse vreemdeling die sinds 18 juli 2000 in Nederland verblijft, diende op 23 juli 2000 een aanvraag om toelating in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, wees deze aanvraag op 25 juli 2000 af. Verzoeker diende daarop op 26 juli 2000 een bezwaarschrift in en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De president stelde vast dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro. Verzoeker werd op 27 juli 2000 schriftelijk op dit verzuim gewezen en kreeg de mogelijkheid om dit te herstellen vóór de zitting. Het schrijven werd naar het aanmeldcentrum te Rijsbergen gestuurd, waar verzoeker echter niet verbleef, maar verzoeker had dit adres als correspondentieadres opgegeven.
Omdat verzoeker niet tijdig gronden heeft ingediend en de hersteltermijn is verstreken, oordeelde de president dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoeker verscheen niet bij de openbare behandeling op 3 augustus 2000. Er zijn geen aanwijzingen dat een van de partijen in de proceskosten veroordeeld moet worden. De president verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en sprak dit uit op 4 augustus 2000.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van dit verzuim.