ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7581
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating als vluchteling en voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling die door de Staatssecretaris van Justitie werd afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Verzoeker stelde dat hij vanwege zijn desertie uit het Iraakse leger en vervolging door de veiligheidsdienst in Irak recht had op vluchtelingenstatus.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar van verzoeker tijdig was ingediend, omdat het besluit niet aangetekend was verzonden en de termijn pas begon te lopen bij uitreiking. De rechtbank twijfelde echter aan de geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker, onder meer vanwege vaagheid over zijn gevangenschap en tegenstrijdigheden met zijn militaire dienst.
Zelfs indien het relaas als geloofwaardig zou worden aangenomen, was niet aannemelijk dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging had die zwaarwegend genoeg was voor vluchtelingenstatus. Daarnaast handhaafde de rechtbank het beleid van de Staatssecretaris dat bij een strafrechtelijke veroordeling een contra-indicatie bestaat voor toelating en uitstel van vertrek.
De rechtbank concludeerde dat de weigering tot toelating als vluchteling terecht was en dat de uitzetting niet achterwege hoefde te blijven. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen en de uitzetting wordt gehandhaafd.