ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7468

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/2490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.E. Heijning-Huydecoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 VwArt. 26 VwArt. 34a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige staandehouding en opheffing maatregel van bewaring vreemdeling

De vreemdeling, van Palestijnse afkomst en verblijvend in een penitentiaire inrichting, werd op 24 maart 2000 staande gehouden en in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen de maatregel van bewaring en vorderde tevens schadevergoeding. De vreemdeling voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was omdat er geen concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf waren en niet alle aanwezigen in het restaurant waar hij werd staande gehouden, waren gecontroleerd.

De rechtbank onderzocht de aangevoerde concrete aanwijzingen, waaronder eerdere onderzoeken en signalen van derden over illegaal verblijf en illegale arbeid in het restaurant. Hoewel deze aanwijzingen aanwezig waren, ontbrak het dossier aan gegevens over het aantal aanwezigen en of iedereen was gecontroleerd, waardoor toetsing op discriminatoir karakter niet mogelijk was.

De rechtbank concludeerde dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de maatregel van bewaring daarom per 7 april 2000 moest worden opgeheven. Over het verzoek om schadevergoeding zal later worden beslist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding met ingang van 7 april 2000.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr.: AWB 00/2940 VRWET J
Inzake: A, geboren op [...] 1973, van gestelde
Palestijnse afkomst, verblijvende in de Penitentiaire
Inrichting Ter Apel te Ter Apel, hierna te noemen: de
vreemdeling,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerder.
Zitting: 6 april 2000.
De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.G.C. van Riet, advocaat te Hoorn.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. K. van Ulzen.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 Op 24 maart 2000 is de vreemdeling staande gehouden ingevolge artikel 19, eerste lid, Vw.
Aansluitend is de vreemdeling opgehouden ingevolge artikel 19, tweede lid, Vw.
1.2 Bij bevel tot bewaring van 24 maart 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, Vw in bewaring gesteld. Op diezelfde datum was reeds zijn uitzetting gelast.
1.3 Bij beroepschrift van 27 maart 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van
schadevergoeding.
2. Overwegingen
2.1 Namens de vreemdeling is onder meer aangevoerd dat zijn staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Naar de mening van eisers gemachtigde bestonden er geen concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf op grond waarvan
controle in het kader van artikel 19, eerste lid, Vw is toegestaan. Indien echter aangenomen zou moeten worden dat deze er wel waren, zijn voorts niet alle personen die aanwezig waren in het restaurant alwaar de vreemdeling is
staandegehouden, gecontroleerd hetgeen in strijd is met de voorschriften gesteld in de Vreemdelingencirculaire.
2.2 De rechtbank oordeelt als volgt.
2.3 Zoals uit hoofdstuk A5/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) blijkt -weergegeven voorzover thans van belang- vindt toezicht in het binnenland plaats op grond van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf. Als
zodanige aanwijzingen zijn in het bijzonder aan te merken: 'aanwijzingen...naar aanleiding van signalen... van derden' en 'ervaringsgegevens wegens eerdere constateringen van illegaal verblijf of illegale arbeid'. In het geval dat
een aanwijzing betrekking heeft op een bepaalde plaats of ruimte geldt als uitgangspunt dat iedereen die zich daar bevindt, daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Daardoor wordt uitgesloten dat degenen die met de controle zijn
belast, een keuze op uiterlijke kenmerken moeten maken.
2.4 Uit het zich in het dossier bevindend proces-verbaal in verband met
staandehouding d.d. 31 maart 2000 blijkt dat de concrete aanwijzingen over illegaal verblijf zijn verkregen uit "eerdere onderzoeken en constatering van illegaal verblijf en illegale arbeid". Het in aanvulling daarop opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2000 vermeldt dat de verbalisant al meerdere keren in het restaurant alwaar de vreemdeling is staandegehouden was en dat door hem illegale personen staande werden gehouden terzake de
Vreemdelingenwet en de Wet Arbeid Vreemdelingen. Tevens had de verbalisant signalen van derden ontvangen, dat er in het genoemde pand illegale personen aanwezig zouden zijn. Ter zitting heeft de raadsvrouw van de vreemdeling
weliswaar aangevoerd dat de eigenaar van het restaurant heeft verklaard in de afgelopen 14 jaar nimmer door de politie te zijn bezocht en/of gecontroleerd doch de rechtbank ziet in deze enkele verklaring onvoldoende grond om hetgeen
is gesteld in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal voor onjuist te houden.
2.5 De rechtbank is echter, met de vreemdeling van oordeel dat, uit voornoemde processen-verbaal noch uit enig ander zich in het dossier bevindend stuk blijkt hoeveel personen ten tijde van de controle in het genoemde restaurant
zijn aangetroffen en of iedereen die zich in het pand bevond, is gecontroleerd. Mitsdien is het voor de rechtbank niet mogelijk om te toetsen of de controle een discriminatoir karakter had en derhalve of de vreemdeling op grond van
artikel 19, eerste lid, Vw staande gehouden mocht worden.
2.6 Bij die stand van zaken moet de staandehouding van de vreemdeling geacht worden onrechtmatig te hebben plaatsgevonden.
2.7 Gelet op het voorgaande is de opgelegde maatregel van bewaring onrechtmatig met ingang van de datum van inbewaringstelling, zijnde 24 maart 2000, de bewaring zal worden opgeheven met ingang van 7 april 2000.
2.8 Omtrent het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
2.9 Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring ex artikel 26 Vw Pro met ingang van 7 april 2000;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in tegenwoordigheid van mr. G.J. de Jong als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2000, in
tegenwoordigheid van de griffier.
afschrift verzonden op: 14 april 2000
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.