ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7350
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsbenemende maatregel bij asielzoeker met mogelijke 1F-toepassing
De vreemdeling, van Afghaanse nationaliteit, werd op 6 juli 2000 de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd op Schiphol. Na indiening van een asielaanvraag op 7 juli 2000 werd de maatregel voortgezet vanwege nader onderzoek naar mogelijke toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, gelet op zijn eerdere functie bij de Afghaanse staatsveiligheid.
De rechtbank stelde vast dat het beleid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zoals neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire niet voorziet in situaties waarin onderzoek naar 1F-aspecten plaatsvindt. De voortzetting van de maatregel op basis van het vierde gedachtestreepje van B7/14 was daarom niet toereikend gemotiveerd.
Verder constateerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het onderzoek met voldoende voortvarendheid werd uitgevoerd en dat de vreemdeling niet adequaat was geconfronteerd met de verdenkingen. Het ontbreken van een beleidskader en de gebrekkige motivering maakten de voortzetting van de vrijheidsbeneming onrechtmatig.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de vrijheidsbenemende maatregel per 28 juli 2000 en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten. Tevens benadrukt de rechtbank de noodzaak voor verweerder om binnen drie maanden een adequaat beleidskader te ontwikkelen voor de toepassing van artikel 7a Vw in 1F-zaken.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsbenemende maatregel per 28 juli 2000 wegens onrechtmatigheid.