ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7278
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling vreemdelinge wegens onvoldoende bewijs manifest bedrog
De vreemdelinge, met Soedanese nationaliteit, werd op 1 mei 2000 in bewaring gesteld wegens vermeend manifest bedrog in haar asielaanvraag. Verweerder stelde dat zij doelbewust de Nederlandse autoriteiten had misleid om verblijf te verkrijgen, wat de openbare orde zou bedreigen. De rechtbank onderzocht de verklaringen van de vreemdelinge tijdens meerdere gehoormomenten en constateerde dat zij de Engelse taal slechts gebrekkig beheerst en niet in een andere taal adequaat kon worden gehoord. Hierdoor kon niet worden uitgesloten dat zij vragen niet begreep of niet goed kon beantwoorden.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat sprake was van manifest bedrog dat een gevaar voor de openbare orde opleverde. Daarnaast bleek dat de vreemdelinge zich aan het toezicht had gehouden en geen aanwijzingen bestonden dat zij zich zou onttrekken aan dit toezicht. Daarom werd de bewaring onrechtmatig geacht en werd het beroep gegrond verklaard.
De rechtbank beval de opheffing van de bewaring per 11 mei 2000 en kende een schadevergoeding toe van f. 1.600,-- voor de periode van 1 tot 11 mei 2000. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van f. 1.420,--. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voor het beroep tegen de inbewaringstelling, maar hoger beroep is mogelijk tegen de beslissing over de schadevergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt opheffing van de bewaring wegens onrechtmatigheid en kent schadevergoeding en proceskosten toe.