ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6698
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en verblijfsvergunning wegens kennelijke ongegrondheid en onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar
Eiser, een Jemenitische nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning. De aanvraag werd door verweerder afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser beriep zich op vervolgingsgevaar vanwege zijn politieke activiteiten en bekering tot het christendom.
De rechtbank stelde vast dat eiser zich in het beroepschrift niet meer beroept op zijn politieke activiteiten als grond voor vervolging. Ten aanzien van zijn bekering tot het christendom trok de rechtbank de geloofwaardigheid van zijn verklaring in twijfel op grond van een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bovendien was niet aannemelijk gemaakt dat eiser zich openbaar had bekeerd, wat volgens de beschikbare informatie noodzakelijk is om vervolging te rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat verweerder terecht geen hoorplicht had. Ook was niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling. Er waren geen klemmende humanitaire redenen of wezenlijke Nederlandse belangen die toelating rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. De rechtbank zag geen aanleiding om een partij te veroordelen in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van asiel en verblijfsvergunning wordt bevestigd.