ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6556

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/5276
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArt. 33b VwArt. 8:84 AwbArt. 8:67 AwbArt. 33a Vw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bezwaar tegen Dublinclaim en weigering voorlopige voorziening in asielzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie centraal om een Dublinclaim te leggen bij Frankrijk met betrekking tot het asielverzoek van verzoeker. Verzoeker betwist deze beslissing en verzoekt tevens om een voorlopige voorziening zodat zijn asielverzoek in Nederland wordt behandeld.

De rechtbank oordeelt dat de beslissing vatbaar is voor bezwaar en beroep, omdat verzoeker door het besluit rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, onder meer doordat hem geen opvang wordt geboden. De beoordeling van de Dublinclaim vindt plaats aan de hand van de Dublinovereenkomst en de relevante besluiten van het Comité dat deze overeenkomst uitvoert.

Vaststaat dat verzoeker Nederland is binnengekomen met een geldig Schengenvisum dat is afgegeven door de Franse ambassade te Malta. De uitzondering op de verantwoordelijkheid van de lidstaat die het visum heeft afgegeven, zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 onder Pro a van de Dublinovereenkomst, is niet van toepassing. De rechtbank concludeert dat de Staatssecretaris redelijkerwijs mocht aannemen dat de Dublinclaim zal worden gehonoreerd.

Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en verklaart het bezwaar ongegrond. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de Dublinclaim wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S GRAVENHAGE
Vreemdelingenkamer
Fungerend president
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a en 33b Vreemdelingenwet
Reg.nr: AWB 00/5276 VRWET
Inzake: A, domicilie kiezende te B, verzoeker,
gemachtigde mr. J.G.M. van Horne, advocaat te Bergen op Zoom,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde drs V.J.C. Berg, ambtenaar ten departemente.
1. ZITTING
Datum: 31 mei 2000.
Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde van verzoeker en verweerder bij gemachtigde.
Zitting hebben:
mr. J.Th. Drop, president,
P.C. Stroebel, griffier.
Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen meegedeeld dat op 7 juni 2000 om 12.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.
2. OVERWEGINGEN
1. In geschil is de beslissing van 12 mei 2000 waarbij verweerder zijn voornemen om een zogenoemde Dublinclaim te leggen bij Frankrijk kenbaar heeft gemaakt. Verzoeker heeft naar aanleiding van deze beslissing een bezwaarschrift
ingediend, alsmede de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen ertoe strekkende dat verweerder het asielverzoek van verzoeker aan zich zal trekken.
2. De president is van oordeel dat de beslissing tot het leggen van een "Dublinclaim" vatbaar is voor bezwaar en beroep in de zin van artikel 6:3 Awb Pro, daar verzoeker door genoemd bestreden besluit rechtstreeks in zijn belang wordt
getroffen, nu geen opvang wordt geboden. Tevens ziet de president in de onthouding van opvang van verzoeker voldoende spoedeisend belang gelegen.
3. De vraag of onderhavige "Dublinclaim" naar redelijke verwachting zal worden gehonoreerd moet worden beoordeeld naar aanleiding van het bepaalde in de overeenkomst van Dublin (OvD), alsmede naar aanleiding van de besluiten 1/97 en
1/98 van het zogenoemde Comité ingesteld bij artikel 18 OvD Pro en de internationale ontwikkeling in dit kader.
4. Ingevolge artikel 5, lid 2, OvD is, wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, de Lid-Staat die dat visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Vast staat dat verzoeker op 22 april
2000 in het bezit van een Schengenvisum afgegeven door de Franse ambassade te Malta, Nederland is ingereisd.
Anders dan de gemachtigde van verzoeker meent is de uitzondering van artikel 5, lid 2 onder a. niet van toepassing, immers niet is gebleken dat het visum is afgegeven op grond van een schriftelijke machtiging van de Nederlandse
autoriteiten. Dat de Nederlandse autoriteiten een dergelijke machtiging zouden afgeven aan de Franse autoriteiten is ook niet waarschijnlijk gelet op de aanwezigheid van een Nederlands consulaat te Valeta (Malta) alwaar visa voor
Nederland kunnen worden aangevraagd.
4. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder er in redelijkheid van uit mocht gaan dat de "Dublinclaim" naar redelijke verwachtingen zal worden gehonoreerd. Ook overigens ziet de president geen
aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
5. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de president
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.
6. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.
3. BESLISSING
De president van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
1. verklaart het bezwaar ongegrond;
2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
4. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Verzonden op: