ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6555

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 99/11839
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 32 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker, een Nigeriaanse vreemdeling die sinds 1993 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel gezinsvorming en loonarbeid. Deze aanvraag werd op 20 mei 1998 door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarprocedure leidde niet tot een andere uitkomst. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die het beroep op 12 november 1999 ongegrond verklaarde en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.

Verzoeker deed verzet tegen deze uitspraak en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Tijdens de openbare behandeling op 18 april 2000 was verzoeker niet aanwezig. De rechtbank oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank geen besluit is in de zin van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

De rechtbank overwoog dat indien het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak vervalt en er opnieuw sprake kan zijn van een besluit waartegen beroep mogelijk is, zodat op dat moment een voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Er zijn geen proceskosten aan één van de partijen toegewezen. De uitspraak werd op 1 mei 2000 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzettingsbeslissing is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Vreemdelingenkamer
fungerend president
__________________________________________________
UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr: AWB 99/11839 VRWET
Inzake: A, alias A, wonende te B,
verzoeker,
gemachtigde mr. F.A.M. te Braake, advocaat te Goes
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. N.H. Suerink, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Verzoeker, stelt te zijn geboren op [...] 1960 en beweert de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 5 november 1993 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 6 mei 1997 heeft hij
een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf, met als doel gezinsvorming bij partner C, loonarbeid. Op deze aanvraag is door
verweerder op 20 mei 1998 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw Pro bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege
zal worden gelaten. Op 26 juni 1998 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.
Op 6 november 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 17 november 1998 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. Bij uitspraak van 12 november 1999 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek voorlopige voorziening van 26 juni 1998 is bij uitspraak
van 12 november 1999 niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak ex artikel 8:54 op Pro 8 december 1999 verzet gedaan. Op 15 december 1999 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te
laten.
3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 april 2000. Verzoeker noch zijn gemachtigde zijn verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 Awb Pro kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president
van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb dient onder besluit te worden verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Niet als bestuursorgaan worden aangemerkt, -
voor zover hier van belang - onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast.
De president stelt vast dat het verzoek voorlopige voorziening van 15 december 1999 is ingesteld hangende een verzetschrift als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid. Awb, gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 november
1999. Een dergelijke uitspraak kan naar het oordeel van de president niet als een besluit als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro worden aangemerkt.
Het verzoek dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten overvloede overweegt de president dat indien de rechtbank naar aanleiding van het verzetschrift tot de slotsom komt dat het verzet gegrond is, de uitspraak vervalt en opnieuw - of wederom - sprake is van een besluit van een
bestuursorgaan waartegen beroep aanhangig is, als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro. Op dat moment staat de mogelijkheid van het vragen van een voorlopige voorziening weer open.
3. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.
III. BESLISSING
De president:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. E. Kouwenhoven en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2000, in tegenwoordigheid van P.C. Stroebel, griffier.
afschrift verzonden op: