ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6434
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling wegens gebrek aan wettelijke legitimatiebevoegdheid
De vreemdeling, van Algerijnse nationaliteit en verblijvend in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel, werd op 3 april 2000 staande gehouden en op 4 april 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid, Vreemdelingenwet. De vreemdeling stelde dat de staandehouding onrechtmatig was omdat er geen wettelijke bevoegdheid bestond voor het vragen naar legitimatie. Tevens werd aangevoerd dat de bewaring in Ter Apel in strijd was met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind vanwege het ontbreken van gescheiden verblijf.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding niet kon worden gerechtvaardigd als controle op naleving van de Wet Arbeid Vreemdelingen, omdat daartoe geen concrete aanwijzingen bestonden en het proces-verbaal geen aanwijzing gaf voor een dergelijke controle. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de verbalisant geen wettelijke bevoegdheid had om de vreemdeling te vragen zich te legitimeren, waardoor de staandehouding en bewaring onrechtmatig waren.
De rechtbank volgde het standpunt dat de wijze van bewaring in strijd was met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, maar achtte dit niet relevant omdat de bewaring reeds onrechtmatig was vanwege de onrechtmatige staandehouding. De maatregel van bewaring werd opgeheven per 17 april 2000 en de Staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding zonder wettelijke legitimatiebevoegdheid.