ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6281

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/4457
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 VreemdelingenwetArt. 449 SvArt. 451a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring vreemdeling voortgezet met termijnbeperking wegens uitzettingsperspectief

Een Liberiaanse vreemdeling verbleef sinds 1 februari 2000 in bewaring in afwachting van uitzetting. Ondanks toezeggingen van de Liberiaanse autoriteiten was de laissez-passer nog niet afgegeven, waardoor uitzetting vertraagd werd. De vreemdeling stelde dat de bewaring onrechtmatig was geworden en vorderde opheffing en schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de bewaring op 13 maart 2000 nog rechtmatig was en dat het zicht op uitzetting sedertdien niet definitief was verdwenen. De vertraging in het afgeven van het laissez-passer werd toegerekend aan organisatorische problemen bij de Liberiaanse autoriteiten, welke voor rekening van de Nederlandse overheid kwamen en niet voor het risico van de vreemdeling.

Gezien de verwachting dat binnen een maand het laissez-passer zou worden afgegeven en het overleg tussen de Liberiaanse consul en autoriteiten nog gaande was, bestond er nog uitzicht op uitzetting. De rechtbank besloot daarom de bewaring voort te zetten, maar beperkte de duur daarvan tot uiterlijk 1 juni 2000. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de bewaring niet onrechtmatig was.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.

Uitkomst: De bewaring wordt voortgezet tot uiterlijk 1 juni 2000 en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Zwolle
Vreemdelingenkamer
regnr.: Awb 00/4457 VRWET Z CM
uitspraak: 1 mei 2000
UITSPRAAK
op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1974 te B,
nationaliteit Liberiaanse,
thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel.
Namens de vreemdeling heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, op 16 april 2000 beroep ingesteld tegen de bewaring, bevolen op 1 februari 2000, en verzocht om schadevergoeding.
Namens de vreemdeling is mr. R. Kakes, een kantoorgenoot van mr. Krauth, op 27 april 2000 ter zitting verschenen.
Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij reeds drie maanden in bewaring verblijft terwijl nog immer geen laissez-passer is afgegeven.
Hij wijst in dit verband uitdrukkelijk op de uitspraak van 13 maart 2000 van deze rechtbank waarin is overwogen dat op 14 maart 2000 een laissez-passer zou worden afgegeven. Nu dat niet is gebeurd, bestond er vanaf 15 maart 2000
geen zicht op uitzetting. De bewaring dient dan ook te worden opgeheven en er dient schadevergoeding te worden toegekend vanaf laatstgenoemde datum. Subsidiair is namens de vreemdeling verzocht een termijn te stellen voor de duur
van de bewaring.
Namens de Staatssecretaris van Justitie is mr. R.J. Maring, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Zwolle, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen en het verzoek om
schadevergoeding af te wijzen. Verweerder heeft voortvarend gehandeld en er is een laissez-passer toegezegd door de Liberiaanse autoriteiten.
Dat deze laissez-passer nog niet is afgegeven is gelegen in organisatorische problemen bij de Liberiaanse autoriteiten. Naar verwachting zullen deze problemen binnen een maand zijn opgelost. Er bestaat dan ook zicht op uitzetting.
Naar de mening van verweerder komt de omstandigheid dat nog geen laissez-passer is afgegeven voor rekening en risico van de vreemdeling. Immers, indien hij had beschikt over een reisdocument, was de aanvraag van een laissez-passer
in het geheel niet nodig geweest.
Rechtsoverwegingen
Bij uitspraak van 13 maart 2000 heeft de rechtbank (het voortduren van) de bewaring niet onrechtmatig geoordeeld. Derhalve is thans uitsluitend de rechtsvraag aan de orde of sedert genoemde uitspraak nog zicht op uitzetting bestaat.
Voldoende is gebleken dat de gronden voor de bewaring nog steeds bestaan. In de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, zoals deze uit de stukken en het verhoor naar voren zijn gekomen, zijn geen redenen gelegen om de
bewaring op te heffen.
Vaststaat dat de vreemdeling de Liberiaanse nationaliteit heeft en dat de Liberiaanse autoriteiten hebben toegezegd dat een laissez-passer zal worden afgegeven. Blijkens een telefoonnotitie van 26 april 2000 zijn vreemdelingen, ten
behoeve van wie een laissez-passer was afgegeven door de Liberiaanse consul in Nederland, niet toegelaten tot Liberia. Deze consul voert thans overleg met de Liberiaanse autoriteiten om dit soort situaties in de toekomst te
voorkomen. Totdat dit overleg is afgerond, geeft het Liberiaanse consulaat geen laissez-passers of "Liberian- verklaringen" meer af.
Naar het oordeel van de rechtbank komt het in beginsel voor rekening en risico van verweerder indien de autoriteiten van andere landen niet meewerken aan de afgifte van reisdocumenten en niet, zoals verweerder stelt, voor risico van
de vreemdeling. In het onderhavige geval is geen sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan van dit uitgangspunt afgeweken zou moeten worden.
Nu verweerder heeft aangegeven dat het overleg tussen de Liberiaanse consul en de Liberiaanse autoriteiten binnen een maand zal zijn afgerond, bestaat er thans nog zicht op uitzetting. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de duur van
de bewaring te beperken.
Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- beveelt de opheffing van de bewaring uiterlijk met ingang van 1 juni 2000;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. A. Smedes, in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2000.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep
instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in artikel 449 en Pro 451a Wetboek van Strafvordering bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle.
Afschrift verzonden: 1 mei 2000