ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6223
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H. de Jong-van Dooijeweert
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende belangenafweging
Eiser, een Ghanees staatsburger, verzocht in 1996 om een verblijfsvergunning in Nederland om bij zijn zoon D te verblijven, die vanwege zijn handicap en ondertoezichtstelling in Nederland verbleef. De aanvraag werd door verweerder afgewezen, waarna meerdere bezwaar- en beroepsprocedures volgden. De rechtbank behandelde het beroep op 15 december 1999.
Eiser voerde aan dat het weigeren van verblijf een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt, omdat hij een familie- en gezinsleven met zijn zoon en partner in Nederland heeft. De rechtbank stelde vast dat D inmiddels de Nederlandse nationaliteit had en onder toezicht stond van de Raad voor de Kinderbescherming, en dat D vanwege zijn handicap en de psychische problemen van zijn moeder sterk afhankelijk is van eiser.
Verweerder stelde dat geen familierechtelijke relatie was aangetoond en dat het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke omstandigheden, zoals de binding van D met Nederland en de feitelijke situatie van het gezin.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro en veroordeelde verweerder tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.