ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6037
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatig binnentreden en onrechtmatige vrijheidsontneming bij vreemdeling
De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit, werd op 14 april 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van het binnentreden in zijn zolderkamer, voorafgaand aan de staandehouding. De politie trad binnen op basis van toestemming van bewoners van de eerste en tweede etage, die zich als hoofdbewoners presenteerden, maar niet van de vreemdeling zelf.
De rechtbank stelde vast dat de zolderkamer als een afzonderlijke woning moest worden aangemerkt, mede vanwege de afgesloten deur en het feit dat de vreemdeling daar enige weken verbleef met persoonlijke bezittingen. Volgens de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) is voor binnentreden in een woning de toestemming van de bewoner zelf vereist. Omdat deze toestemming ontbrak, was het binnentreden onrechtmatig.
Als gevolg daarvan waren ook de daaropvolgende staandehouding en de maatregel van bewaring onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de bewaring op en kende een schadevergoeding toe voor zes dagen onrechtmatige bewaring in een politiecel en twaalf dagen in een Huis van Bewaring, totaal f 2.850,-. Tevens werden de proceskosten van de vreemdeling aan de Staat der Nederlanden opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onrechtmatig binnentreden en onrechtmatige bewaring, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.