ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5759
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming van vreemdeling na asielaanvraag
In deze zaak gaat het om de vreemdeling A, geboren in 1965 en van Tunesische nationaliteit, die op 6 november 1998 de toegang tot Nederland is geweigerd. Op diezelfde dag heeft hij een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. De rechtbank heeft eerder, op 20 november 1998, het beroep tegen de niet-inwilliging van deze aanvraag ongegrond verklaard. A heeft op 27 november 1998 opnieuw een aanvraag ingediend, die op 9 december 1998 door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen. De rechtbank heeft op 22 januari 1999 het beroep tegen deze afwijzing gegrond verklaard. De openbare behandeling van het beroep vond plaats op 8 maart 1999, waarna het onderzoek is heropend en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van vrijheidsontneming, die op 6 november 1998 is opgelegd, onrechtmatig is geworden op 9 december 1998, omdat de tweede asielaanvraag niet kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn van artikel 15e Vreemdelingenwet op de tweede aanvraag heeft beslist, maar dat de termijn van 28 dagen in dit geval voldoende voortvarendheid getuigt. De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van schadevergoeding aan de vreemdeling voor de periode van 9 december 1998 tot en met 30 januari 1999, ten bedrage van f 5.300,--. Tevens worden de proceskosten aan de vreemdeling vergoed, vastgesteld op f 2.662,50. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en is openbaar uitgesproken op 13 april 2000.