ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5506
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om schorsing uitzetting en niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie om zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en om zijn uitzetting niet op te schorten. De reden hiervoor is dat op grond van de Dublinverordening Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen voor de behandeling van zijn asielverzoek.
De rechtbank overweegt dat de Dublinverordening bepaalt dat slechts één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek en dat Frankrijk deze verantwoordelijkheid heeft overgenomen. Verzoekers beroep op humanitaire gronden en gezinshereniging faalt omdat zijn echtgenote in Nederland verblijft met een voorwaardelijke verblijfsvergunning en Frankrijk geen verzoek heeft gedaan om het asielverzoek te behandelen.
Verder oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van medische noodzaak of andere schrijnende omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat het een eerste asielverzoek betreft en geen inmenging in het gezinsleven is vastgesteld.
De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart het bezwaar ongegrond. Tevens wordt het verzoek om ontheffing van de wekelijkse meldingsplicht afgewezen. Verzoeker kan zich tot het COA wenden voor opvang, maar verweerder is niet verplicht hem hiervoor aan te melden.
Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de uitzetting en het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag worden afgewezen.