ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5358
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting asielzoekster met Dublin-overdracht
Verzoekster, van Somalische nationaliteit, diende op 27 maart 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling in Nederland in. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvraag bij beschikking van 25 november 1999 af en besloot tevens geen verblijfsvergunning te verlenen op humanitaire gronden. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De rechtbank overwoog dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van het Dublin-verdrag, aangezien verzoekster daar eerst verbleef en Duitsland de claim had gehonoreerd. De rechtbank toetste of de staatssecretaris de verantwoordelijkheid terecht aan Duitsland had overgedragen en of het bezwaar een redelijke kans van slagen had. Uit de stukken bleek dat de termijn van zes maanden voor het nemen van een Dublin-beslissing was verstreken zonder dat Nederland de zaak aan zich had getrokken, mede doordat de staatssecretaris niet had gereageerd op een verzoek om uitstel van de gemachtigde van verzoekster.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet redelijkerwijs van de overdracht aan Duitsland had kunnen afzien en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom moest worden toegewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten en de Staat der Nederlanden werd aangewezen als rechtspersoon voor de vergoeding van griffierecht. De uitspraak werd op 23 februari 2000 gedaan door president mr. W.H. van Benthem.
Uitkomst: De rechtbank gebiedt de staatssecretaris uitzetting achterwege te laten tot vier weken na beslissing op bezwaar en veroordeelt hem in proceskosten.