ECLI:NL:RBSGR:2000:AA4916
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatige staandehouding en identificatieplicht
De vreemdeling werd op 14 december 1999 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat zijn uitzetting was gelast en het belang van de openbare orde dit vereiste. Tijdens een controle in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) kon de vreemdeling geen identiteitsdocument tonen, waarna hij werd staandegehouden en in bewaring gesteld.
De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of de toezichthouders bevoegd waren om naar identiteitspapieren te vragen, aangezien deze bevoegdheid per 1 januari 1998 was vervallen door de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid tot het vorderen van inzage van documenten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht (WID) niet langer bestond onder artikel 5:17 Awb Pro, en dat de staandehouding en daaropvolgende bewaring daardoor onrechtmatig waren.
Hoewel de vreemdeling illegaal in Nederland verbleef en geen pogingen had ondernomen zijn verblijf legaal te maken, achtte de rechtbank op grond van billijkheid de schadevergoeding wegens ten onrechte doorgebrachte bewaring nihil. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring en veroordeelde de Staatssecretaris van Justitie in de proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en het ontbreken van wettelijke basis voor identificatieplicht.