ECLI:NL:RBSGR:1999:AF0190

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
KG 99/1398
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • J.M. Willink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 4 WAMArt. 299 lid 1 sub a FwArt. 76 lid 2 SrArt. 76a lid 4 SrArt. 561 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vervangende hechtenis bij schuldsaneringsregeling

Op 1 juli 1998 werd het faillissement van X. uitgesproken, dat later werd opgeheven waarna de wettelijke schuldsanering werd uitgesproken met benoeming van een bewindvoerder. X. was bij vonnis van 17 augustus 1998 veroordeeld tot een geldboete met vervangende hechtenis bij niet-betaling. De boete werd niet betaald en de vervangende hechtenis werd op 29 oktober 1999 ten uitvoer gelegd.

Eisers vorderden schorsing van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, stellende dat de boete viel onder de schuldsaneringsregeling volgens artikel 299 lid 1 sub a Faillissementswet Pro, waardoor uitvoering van de hechtenis onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de boete inderdaad een vordering is die onder de schuldsaneringsregeling valt, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en het ontbreken van een expliciete uitsluiting in de Faillissementswet.

De rechtbank overwoog verder dat de verjaringstermijn van de strafvervolging niet eerder dan april 2001 zou verlopen, zodat tijdsverloop de uitvoering van de straf niet zonder meer kon frustreren. Gezien de lopende discussie in hoger beroep over de principiële vraag, achtte de rechtbank schorsing van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis gerechtvaardigd voor de duur van de schuldsanering. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank schorst de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis gedurende de wettelijke schuldsanering.

Uitspraak

Arrondissementrechtbank 's-Gravenhage
Sector Civiel Recht - President
1. mr. Robert Geert Standhardt,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van X.,
wonende te Houten, kantoorhoudende te Utrecht,
2. X.
wonende te P.
eisers,
procureur jhr. mr. A.J. Sandberg,
advocaat mr. R.G. Standhardt te Utrecht,
tegen:
de Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur mr F.W. Bleichrodt.
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 november 1999 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
· Op 1 juli 1998 is door de arrondissementsrechtbank te Utrecht het faillissement van X. uitgesproken.
· Dat faillissement is op...opgeheven en de wettelijke schuldsanering uitgesproken, met benoeming van mr. Standhardt tot bewindvoerder.
· X. is bij vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 17 augustus 1998 wegens overtreding van artikel 30, lid 4 WAM veroordeeld tot betaling van een boete van fl 660,--, bij niet betaling te vervangen door 13 dagen hechtenis. Dit vonnis is op 1 september 1998 onherroepelijk geworden.
· De boete, welke inmiddels door verhogingen is opgelopen tot een bedrag van fl 822, --, is door X. niet betaald.
· Bij brief van 6 mei 1999 heeft het Centraal Justitieel Incasso Bureau mr. Standhardt bericht dat de vervangende hechtenis ten uitvoer kan worden gelegd omdat is vastgesteld dat verhaal van verschuldigde bedrag in verband met de schuldsaneringsregeling onmogelijk is.
· Op 29 oktober 1999 is X. in hechtenis genomen.
2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
Eisers vorderen -na wijziging van eis- gedaagde te veroordelen de vervangende hechtenis ten aanzien van strabisnummer ... met onmiddellijke ingang te beëindigen, danwel gedaagde te veroordelen de tenuitvoerlegging te schorsen en geschorst te houden voor de duur van de schuldsanering, doch in beide gevallen X. in vrijheid te stellen.
Daartoe voeren eisers kon gezegd het volgende aan.
De vordering voortvloeiende uit het strafvonnis waarbij X. een geldboete werd opgelegd valt onder artikel 299 lid 1 sub a Faillissementswet Pro (hierna: Fw) zodat tenuitvoerlegging van de daaraan gekoppelde vervangende hechtenis is strijdig met de doelstelling van de wettelijke schuldsanering en daarmee onrechtmatig.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.
3. Beoordeling van het geschil
3.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 299, eerste lid aanhef en onder a Fw werkt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan.
Met deze regeling is beoogd tot een "schone lei" te komen.
3.2. Vaststaat dat de aan X. opgelegde strafrechtelijke boete een vordering op hem is die ten tijde van de uitspraak tot schuldsaneringsregeling bestond.
3.3. De vraag is of deze boete is aan te merken als een vordering als bedoeld in artikel 299 lid 1 sub a Fw Pro.
Uit de parlementaire geschiedenis van de schuldsaneringsregeling blijkt dat de schuldsanering werkt voor alle schulden ongeacht de aard en omvang daarvan en onverschillig ter zake waarvan een schuld is ontstaan. Dit betekent -zo valt te lezen in de memorie van toelichting- dat van geen belang is of een vordering op de schuldenaar voortvloeit uit een feitelijke handeling, een rechtshandeling, een rechterlijke uitspraak (waarbij als voorbeeld de geldboete expliciet wordt vermeld) of rechtstreeks uit de wet.
Voorts valt op dat in de Faillissementswet de strafrechtelijke boete niet expliciet van de schuldsaneringsregeling is uitgesloten.
3.4. Deze uitgangspunten van de wetgever geven steun aan de stelling van eisers dat de boete, die X. is opgelegd, valt onder artikel 299 sub Pro 1 onder a Fw.
Gedaagde heeft inmiddels hoger beroep aangetekend van een eerder kort geding vonnis over deze zelfde kwestie.
Het voorgaande brengt de President tot het oordeel dat er, hangende de discussie in rechte over de principiële vraag of een boete als de onderhavige valt onder de schuldsaneringsregeling, minst genomen reden is voor schorsing van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis hangende de schuldsanering.
3.5. Hier komt bij dat, anders dan gedaagde stelt, in dit geval het recht tot strafvervolging niet verjaart op 17 april 2000, maar ingevolge artikel 76 lid 2 Sr Pro eerst omstreeks april 2001, welke verjaringstermijn ingevolge artikel 76a lid 4 Sr met twee jaar kan worden verlengd ingeval van een door het OM aan X. op diens verzoek verleend uitstel van betaling. De regeling ingevolge artikel 561 lid 4 Sv Pro maakt dit niet anders.
Enkel tijdsverloop behoeft in dit geval dus de plicht van het OM tot tenuitvoerlegging van de straf van X. niet zonder meer te frustreren zoals gedaagde als bezwaar tegen de schorsing heeft opgeworpen.
3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in voege als na te melden voor toewijzing vatbaar is.
Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. Beslissing
De President:
Veroordeelt gedaagde de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis ten aanzien van X. voor strabisnummer ... vóór 5 november 1999 te 24.00 uur te schorsen en nadien geschorst te houden voor de duur van de schuldsanering.
Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eisers begroot op fl 2.012,33, waarvan fl 400,- aan griffierecht en 62,33 aan dagvaardingskosten.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mr. J.M. Willink en uitgesproken ter openbare zitting van 4 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.