ECLI:NL:RBSGR:1999:AA9776
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.A.C. van Rossum
- A.C.M. van Wesenbeeck
- A.V. van den Berg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering wegens te late dagvaarding na onrechtmatige besluitvorming en procedure
Eiser exploiteerde een melkvee- en kalfkoeienhouderij en diende in 1984 aanvragen in voor bijzondere melkquotumtoewijzing, welke werden afgewezen door de minister en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Eiser stelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door het voorbereiden, vaststellen en handhaven van besluiten en uitspraken die in strijd waren met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name vanwege schending van het recht op een eerlijk proces en overschrijding van de redelijke termijn.
Na een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in 1994, waarin de Nederlandse procedure werd veroordeeld, startte eiser een civiele procedure tegen de Staat. De Staat voerde verweer dat eiser niet-ontvankelijk was wegens te late dagvaarding, aangezien de vorderingen betrekking hadden op besluiten van 1984 en uitspraken van 1988 en 1990.
De rechtbank oordeelde dat eiser onredelijk lang had gewacht met het instellen van zijn vordering, ondanks dat het EHRM-arrest in 1994 was gewezen en dat de dagvaarding pas in 1997 werd ingediend. Gelet op de belangen van de Staat en het gelijkheidsbeginsel werd een termijn van twee jaar na het EHRM-arrest als aanvaardbaar beschouwd, welke eiser overschreed. Daarom werd eiser niet-ontvankelijk verklaard en werd zijn vordering afgewezen. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late dagvaarding en vordering wordt afgewezen.