ECLI:NL:RBSGR:1999:AA9684
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.A.C. van Rossum
- A.C.M. van Wesenbeeck
- G. Dulek
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tegen Staat wegens overschrijding redelijke termijn na EHRM-arrest inzake melkquotum
Eiser exploiteert een melkveebedrijf en had een aanvraag ingediend voor een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk, welke door de minister werd afgewezen. Eiser stelde dat het besluit onrechtmatig was en dat de Staat aansprakelijk was voor schade wegens de onrechtmatige rechtsgang en overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Na een lange procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) en een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de Van den Hurk-zaak, stelde eiser dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door het in stand houden van een onrechtmatige rechtsgang en dat hij schade had geleden door omzetderving en onnodige proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet tijdig zijn civiele vordering had ingesteld binnen een redelijke termijn na het EHRM-arrest van 19 april 1994. Hoewel eiser de Staat aansprakelijk had gesteld in april 1996, was de dagvaarding pas in oktober 1996 uitgebracht, wat te laat was. De rechtbank verklaarde eiser daarom niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en wees de overige vorderingen af.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige procedurele stappen na een schending van artikel 6 EVRM Pro en bevestigt dat een redelijke termijn van twee jaar na het EHRM-arrest geldt voor het instellen van civiele procedures.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en de overige vorderingen zijn afgewezen.