ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6798
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking niet-toelating vluchteling en verlening verblijfsvergunning wegens humanitaire redenen
Eiser, een Iraakse Koerd die sinds 1996 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. De Staatssecretaris wees deze aanvragen af wegens kennelijke ongegrondheid en het ontbreken van klemmende humanitaire redenen. Eiser stelde dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor hulporganisaties en zijn Koerdische achtergrond een reëel risico loopt op vervolging en zelfs liquidatie bij terugkeer naar Irak.
De rechtbank beoordeelde de zaak en stelde vast dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege een aanslag in november 1996 en zijn werk voor NGO's een specifiek risico loopt. Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, dat stelde dat sinds 1995 geen aanslagen meer zijn gepleegd op NGO-medewerkers, werd door de rechtbank niet doorslaggevend geacht, mede omdat eiser concrete bewijzen overlegde die niet konden worden weerlegd.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd had waarom eiser niet tot de risicogroepen behoort en dat het alternatief van bescherming door de Koerdische partijen niet toereikend is. Daarom werd de bestreden beschikking vernietigd en werd de Staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep gegrond werd verklaard.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken te 's-Gravenhage op 6 december 1999.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de beschikking tot afwijzing van de asielaanvraag en verblijfsvergunning wordt vernietigd.