ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6473
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring vreemdeling
De vreemdeling werd op 1 juli 1999 in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet, terwijl hij bij zijn eerste contact met de autoriteiten had aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. Deze aanvraagmogelijkheid werd hem niet geboden, waardoor de bewaring op onjuiste gronden was gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring, indien deze was bevolen op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet, gerechtvaardigd zou zijn geweest vanwege het ontbreken van geldige verblijfsdocumenten, identiteitspapieren, middelen van bestaan en vaste woonplaats. De bewaring werd op 4 augustus 1999 opgeheven.
De rechtbank kende op grond van billijkheid een schadevergoeding toe vanaf 30 juli 1999 tot en met 4 augustus 1999, een periode waarin de bewaring onrechtmatig was. De vergoeding bedroeg 900 gulden. Tevens werden de proceskosten van 710 gulden aan de vreemdeling toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.
Uitkomst: Schadevergoeding van 900 gulden toegekend wegens onrechtmatige bewaring van 30 juli tot 4 augustus 1999.