ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5357
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.J. van Uchelen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning en voorlopige voorziening voor Bosnische asielzoekster
Verzoekster, een Bosnische moslim en vluchteling uit de oorlog, diende in november 1997 een aanvraag in voor vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning in Nederland. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvragen in september 1998 af, waarna verzoekster bezwaar maakte. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het bezwaar en oordeelde dat het bezwaar ondanks te late indiening verschoonbaar was vanwege onjuiste informatie over de bezwaartermijn door de IND.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij persoonlijk gegronde vrees voor vervolging had in Bosnië-Hercegovina. Haar vrees voor verkrachting en traumatische ervaringen werden niet als voldoende bewijs gezien. De algemene oorlogssituatie bood geen grond voor vluchtelingenstatus. Ook klemmende humanitaire redenen voor een verblijfsvergunning ontbraken. Het beleid van de staatssecretaris, waarbij na 1 juni 1997 ingediende asielaanvragen van Bosniërs niet automatisch tot verblijf leiden, werd niet kennelijk onredelijk bevonden.
De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 5 augustus 1999 door president mr. J.J. van Uchelen. Tegen deze uitspraak was geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; de aanvraag om verblijfsvergunning wordt niet ingewilligd.