ECLI:NL:RBROT:2026:932

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/10/711945 / JE RK 25-2614
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een 16-jarige minderjarige. De minderjarige vertoont ernstig zelfbepalend en agressief gedrag, loopt regelmatig weg en is seksueel actief zonder bescherming. De moeder maakt zich al jaren zorgen over het gedrag en de omgang van de minderjarige.

De minderjarige verblijft sinds juli 2025 op een woongroep nabij Arnhem, maar het lukt niet om haar gedrag bij te sturen. De GI wil diagnostisch onderzoek laten doen om de juiste hulp te bepalen. De moeder staat niet afwijzend tegenover verlenging, maar wil tussentijdse evaluatie over een half jaar en pleit voor een gesloten groep of plaatsing verder weg.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 27 juli 2026, met een tussentijdse rapportage en evaluatie op 1 juni 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 27 juli 2026 met tussentijdse evaluatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711945 / JE RK 25-2614
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 16 december 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 24 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft geen mening gegeven. De GI heeft op de zitting te kennen gegeven dat [minderjarige] begeleider haar naar het gerechtsgebouw in Rotterdam heeft gebracht en dat [minderjarige] niet naar het gerechtsgebouw in Dordrecht wilde worden gebracht, waar de zitting plaatsvond, omdat zij andere plannen had.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
Op 2 november 2024 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Daarnaast is een spoedmachtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] op een crisisgroep van Fidelity Zorg. [minderjarige] woonde toen al niet meer thuis.
2.3.
Op 27 januari 2025 is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. De ondertoezichtstelling loopt tot 27 januari 2026. De (verlengde) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] geldt ook tot 27 januari 2026.
2.4.
Sinds juli 2025 verblijft [minderjarige] op een woongroep van [naam instelling] in de buurt van Arnhem.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt – na verduidelijking van het verzoek op de zitting – de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft op de zitting naar voren gebracht – samengevat – dat verlenging van de maatregelen nodig is, omdat er nog steeds grote zorgen over [minderjarige] zijn. [minderjarige] verblijft sinds juli 2025 bij [naam instelling], waar zij kan blijven. Daar gaat het echter wisselend met haar. Zij heeft moeite om zich begeleidbaar op te stellen. Hierdoor lukt het niet om aan de doelen te werken. Ook loopt zij regelmatig weg. De GI wil in de komende periode diagnostisch onderzoek laten doen, zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft. Eerder stond [minderjarige] daar niet voor open, maar nu wel. Voor een plaatsing op een gesloten groep, zoals de moeder wil, ziet de GI vooralsnog geen mogelijkheid. Aan de voorwaarden daarvoor is niet voldaan. [minderjarige] gaat niet naar school. Wel is zij aangemeld voor een leerwerktraject.
4.2.
De moeder verzet zich niet tegen verlenging van de maatregelen. Zij heeft op de zitting – samengevat – naar voren gebracht dat zij zich al jaren heel veel zorgen maakt over het (wegloop)gedrag van [minderjarige] en haar omgang met jongens. De betrokkenheid van de jeugdbescherming en de plaatsing van [minderjarige] op een woongroep in de buurt van Arnhem hebben daar geen verandering in gebracht. De moeder heeft er weinig vertrouwen in dat er in het komende jaar wel iets verandert en wil daarom graag dat de situatie over een half jaar opnieuw wordt beoordeeld. Zij voelt zich machteloos en ervaart veel stress. Als [minderjarige] wegloopt is er geen zicht op haar en haar omgang met jongens. De moeder denkt dat plaatsing van [minderjarige] op een gesloten groep beter voor haar is, of in ieder geval plaatsing op een groep verder weg.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling (genoemd in de artikelen 1:255 en 1:260 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd. De kinderrechter acht dat noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (artikelen 1:265b en 1:265c BW). De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de nu
16-jarige [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn grote zorgen over haar gedrag. Al lange tijd laat zij zelfbepalend en agressief gedrag zien. Ook loopt zij vaak weg. Zij is seksueel actief en heeft meerdere keren onbeschermde seks gehad. In de afgelopen jaren is de relatie tussen [minderjarige] en de moeder verstoord geraakt. Omdat de situatie thuis niet meer houdbaar was, is [minderjarige] op 12-jarige leeftijd ergens anders gaan wonen. In de jaren daarna heeft zij op veel verschillende plekken verbleven, zowel binnen het netwerk (tante, oma, neef, vader) als op (behandel- en woon)groepen. Sinds juli 2025 verblijft [minderjarige] op een groep van [naam instelling], in de buurt van Arnhem. In de afgelopen periode is [minderjarige] meerdere keren weggelopen of niet op tijd terug gekomen van verlof. Ook zijn er meerdere incidenten op de groep geweest waarbij [minderjarige] betrokken was. Tot op heden lukt het dus niet om [minderjarige] bij te sturen. Betrokkenheid van de jeugdbeschermer en uithuisplaatsing van [minderjarige] blijven daarom nodig.
5.3.
Om een vinger aan de pols te kunnen houden, beperkt de kinderrechter de duur van de verlenging tot zes maanden en houdt zij de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan. Belangrijk is dat in de komende periode diagnostisch onderzoek plaatsvindt, zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft om tot gedragsverandering te kunnen komen, en dat zo snel mogelijk de benodigde hulpverlening wordt ingezet. Belangrijk is verder dat de schoolgang van [minderjarige] wordt hervat, in de vorm van een leer-werktraject.
5.4.
De GI wordt verzocht om vóór 1 juni 2026 de kinderrechter in een briefrapportage te informeren over de stand van zaken op dat moment en een kopie daarvan te sturen aan de moeder.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 juli 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
en, alvorens verder te beslissen:
6.5.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot
1 juni 2026 pro forma;
6.6.
bepaalt dat de GI en de moeder op die datum niet ter zitting hoeven te verschijnen en dat zij tegen een nog te bepalen zitting, gelegen vóór 27 juli 2026, moeten worden opgeroepen;
6.7.
verzoekt de griffier [minderjarige] uit te nodigen voor een kindgesprek;
6.8.
verzoekt de GI
vóór 1 juni 2026de verzochte
briefrapportageaan de kinderrechter toe te sturen, en een kopie daarvan aan de moeder te sturen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door
mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.