ECLI:NL:RBROT:2026:9298

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
10-691038-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 36e lid 2 aanhef en onder b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling ongegrond verklaard

De veroordeelde is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 18 maart 2024 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Het Openbaar Ministerie besloot op 12 januari 2026 de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen vanwege het niet naleven van voorwaarden en een ongewenstverklaring.

De veroordeelde stelde bezwaar in tegen deze herroeping, stellende dat de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling pas op 22 november 2024 begon, terwijl hij feitelijk al op 18 maart 2024 in vrijheid was gesteld. Hij betoogde dat de latere betekening onrechtvaardig was en dat de nieuwe veroordelingen en ongewenstverklaring na de vermeende proeftijd plaatsvonden.

Het Openbaar Ministerie voerde aan dat de proeftijd pas start bij de betekening van de beslissing, welke na meerdere pogingen op 22 november 2024 plaatsvond. De veroordeelde was niet bereikbaar op de bekende adressen, waardoor de latere betekening niet aan het OM te wijten was.

De rechtbank oordeelde dat de proeftijd terecht startte bij de betekening en dat het OM voldoende inspanningen had verricht om de akte te betekenen. De verantwoordelijkheid voor het niet bereikbaar zijn lag bij de veroordeelde. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot herbeoordeling van het strafrestant en de proeftijd werd afgewezen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt ongegrond verklaard en de herroeping blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 10-691038-18
v.i. nummer : 89-000099-88
raadkamernummer : 017024-26
datum : 24 juli 2026
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1976,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
gedetineerd in [naam PI],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Raadsman mr. V.A. Vitanov, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Feiten

Het gerechtshof Den Haag heeft de veroordeelde bij arrest van 23 december 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.
De veroordeelde is door de Hoge Raad op 27 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het vonnis van het gerechtshof Den Haag is daarmee onherroepelijk geworden.
De veroordeelde is op 18 maart 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan is de algemene voorwaarde verbonden. Bij wijzigingsbesluit van 16 mei 2024 en 30 januari 2025 zijn er bijzondere voorwaarden toegevoegd.
Het Openbaar Ministerie heeft op 12 januari 2026 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen. De reden hiertoe was (i) dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, omdat de veroordeelde op 19 november 2025 is veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit, en (ii) dat de veroordeelde niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij per 28 oktober 2025 ongewenst is verklaard, hetgeen op 3 november 2025 in de Staatscourant is gepubliceerd.
Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 22 november 2024 aan de veroordeelde betekend, doormiddel van een OM betekening.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie op 15 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 10 juli 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie op zitting gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de veroordeelde op 18 maart 2024 feitelijk in vrijheid is gesteld, maar de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling pas op 22 november 2024 is gestart. De veroordeelde is van mening dat de betekening gelijk met de feitelijke invrijheidsstelling diende plaats te vinden, en niet pas op 22 november 2024. Het is onduidelijk waarom de OM-betekening pas op die datum heeft plaatsgevonden. Deze late betekening is in strijd met de belangen van de veroordeelde, nu de proeftijd hierdoor acht maanden later is gestart. Gelet op het voornoemde stelt de veroordeelde dat de twee veroordelingen van 19 november 2025 (parketnummer 02-297441-25) en 28 mei 2025 (parketnummer 09-131237-25), plaats hebben gevonden pas na de v.i.-proeftijd van 365 dagen, te weten 18 maart 2025. Met betrekking tot de ongewenst verklaring van de veroordeelde van 28 oktober 2025 (gepubliceerd in de Staatscourant op 3 november 2025) dient hierbij te worden opgemerkt dat deze beslissing eveneens is genomen na 18 maart 2025. Primair verzoekt de veroordeelde het bezwaar gegrond te verklaren. Subsidiair wordt verzocht het v.i. strafrestant van 226 dagen en een proeftijd nogmaals te beoordelen en zo mogelijk te verkorten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de startdatum van de v.i.-proeftijd moet worden uitgegaan van het moment waarop de v.i.-beslissing is betekend aan de veroordeelde. Conform het beleid van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is dit ook zo in de v.i.-beslissing van 18 maart 2024 opgenomen: “Uw v.i. gaat in op de dag dat deze beslissing is betekend”. Blijkens de Informatiestaat SKDB van 7 maart 2024 was veroordeelde op het moment van de v.i.-beslissing zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande en stond hij ingeschreven op een adres in Bulgarije. Conform de regelgeving met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen is meermalen getracht de v.i.-beslissing uit te reiken door rechtstreekse toezending daarvan aan het bekende adres in het buitenland. Het OM heeft echter nimmer bericht ontvangen dat de beslissing aan veroordeelde was uitgereikt. Nadat het OM bericht kreeg dat veroordeelde per 15 augustus 2024 stond ingeschreven op een adres in Schiedam, heeft het vervolgens drie keer gepoogd om beide beslissingen op dat adres te laten betekenen. De aktes kwamen echter telkens ongetekend retour, omdat veroordeelde niet meer op dat adres zou verblijven. Vervolgens heeft er op grond van artikel 36e lid 2 aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering op 22 november 2024 uiteindelijk een OM-betekening van beide beslissingen plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande stelt het OM zich op het standpunt dat de proeftijd van de v.i. (met een duur van 365 dagen) is gestart op 22 november 2024.
Doordat veroordeelde na de aanvang van de proeftijd meerdere keren enige tijd uit andere hoofde gedetineerd heeft gezeten voor andere, latere, strafzaken, is de proeftijd gedurende die tijdvakken opgeschort. Hiermee rekening houdend is de einddatum van de proeftijd uiteindelijk 14 april 2026 geworden.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat bij afweging van de betrokken belangen het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Dat het bijna acht maanden heeft geduurd voordat de v.i.-beslissingen middels een OM-betekening konden worden uitgereikt, komt voort uit het feit dat veroordeelde (zowel in Bulgarije als in Nederland) kennelijk niet daadwerkelijk op het adres verbleef waar hij volgens de beschikbare informatie wel stond ingeschreven. Dit dient naar het oordeel van het OM voor rekening van veroordeelde te komen.

Beoordeling

Vast staat dat de proeftijd van de v.i. begint te lopen op het moment dat de akte is uitgereikt aan de veroordeelde. Uit het schriftelijk standpunt van de officier van justitie blijkt dat het OM heeft geprobeerd de akte in het buitenland te betekenen op het adres waarop de verdachte op dat moment was ingeschreven. Dat is niet gelukt. Nadat de verdachte zich had ingeschreven op een adres in Nederland heeft het OM gepoogd de akte daar te betekenen. De verdachte bleek daar niet (langer) woonachtig te zijn. Vervolgens is het OM overgegaan tot griffiebetekening en is de proeftijd gaan lopen per 22 november 2024.
De rechtbank is van oordeel dat de latere ingang van de proeftijd een logisch gevolg is van het feit dat het OM heeft geprobeerd de akte in het buitenland en in Nederland te betekenen, op een adres waarop de verdachte zich heeft ingeschreven. Het OM heeft een inspanningsverplichting en heeft hieraan voldaan. Dat de veroordeelde op deze adressen niet te bereiken was, komt voor rekening en verantwoordelijkheid van de veroordeelde. Het is de verantwoordelijkheid van de veroordeelde om zich in te schrijven op een adres waarop hij beschikbaar en bereikbaar is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding het strafrestant van 226 dagen en/of de proeftijd opnieuw te beoordelen en te verkorten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en M. van den Bossche, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juli 2026.
TEKENBLAD