ECLI:NL:RBROT:2026:9086

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
10-107982-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van twee vuurwapens en munitie met taakstraf en gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 19 april 2023 te Rotterdam twee vuurwapens en bijbehorende munitie in bezit had. Het ging om een Zastava M57 pistool met 8 kogelpatronen en een Glock Model 19 Gen5 pistool met 15 kogelpatronen. De tenlastelegging betrof het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank stelde vast dat het bezit van de vuurwapens bewezen was en dat dit een ernstig risico voor de veiligheid van personen vormt. Er was sprake van een recente schietincident waarbij mogelijk deze wapens waren gebruikt. De verdachte had de wapens aan anderen overgedragen op verzoek van een medeverdachte. Uit het reclasseringsadvies bleek dat de verdachte stabiel functioneert, verantwoordelijkheid neemt en een laag recidiverisico heeft.

De redelijke termijn was overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 38 dagen op, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast werd een taakstraf van 120 uur opgelegd, lager dan de eis van 240 uur. De strafmaat werd bepaald met inachtneming van de ernst van het feit, persoonlijke omstandigheden en jurisprudentie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 38 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en 120 uur taakstraf voor het bezit van twee vuurwapens en munitie.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-107982-23
Datum uitspraak: 29 april 2026
Datum zitting: 15 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.B.G.T. von Bóné
Officier van justitie: mr. L. Post
Kern van het vonnis
Verdachte heeft twee vuurwapens en munitie voorhanden gehad. De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uur.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij twee vuurwapens met munitie voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 19 april 2023 te Rotterdam
een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3º, gelet op
artikel 2, lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en , te weten een
pistool van het merk Zastava, type M57, kaliber 7.62 x 25mm, zijnde een vuurwapen
in de vorm van een pistool
en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en
munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro die wet, van Categorie
III te weten 8 kogelpatronen kaliber 7.62x33mm
en/of
een (ander) wapen in de zin van artikel 1, onder 3º, gelet op
artikel 2, lid 1, categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een
pistool van het merk Glock Model 19 gen 5, in het kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen
in de vorm van een pistool
en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en
munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro die wet, van Categorie
III te weten 15 kogelpatronen van het kaliber 9 mm
voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens met bijbehorende munitie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de opsomming van de bewijsmiddelen.
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 19 april 2023 te Rotterdam
een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3º, gelet op
artikel 2, lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een
pistool van het merk Zastava, type M57, kaliber 7.62x25mm, zijnde een vuurwapen
in de vorm van een pistool
en
munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en
munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro die wet, van categorie
III te weten 8 kogelpatronen kaliber 7.62x33mm
en
een ander wapen in de zin van artikel 1, onder 3º, gelet op
artikel 2, lid 1, categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een
pistool van het merk Glock Model 19 Gen5, in het kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen
in de vorm van een pistool
en
bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en
munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro die wet, van categorie
III te weten 15 kogelpatronen van het kaliber 9 mm
voorhanden heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de verdediging verzocht de geëiste taakstraf te matigen, gelet op de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast heeft de verdediging bepleit rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn en hooguit een taakstraf van 80 à 100 uur op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en (bijbehorende) munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt gemakkelijk tot het (ongecontroleerd) gebruik van die vuurwapens en vormt daardoor een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Kort tevoren heeft ook daadwerkelijk een vuurgevecht plaatsgevonden waarbij is geschoten naar en vanuit de auto waarin de verdachte met medeverdachten zat en waarbij deze wapens mogelijk – zij het niet door de verdachte – zijn gebruikt. Kort hierna heeft hij de wapens aan een ander afgegeven en de volgende dag heeft hij er een opgehaald en op straat aan een ander gegeven. Hij deed dit op verzoek van een medeverdachte. Vuurwapenbezit brengt daarnaast ernstige gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 2 april 2026 staat het volgende. De verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn rol in het delict. Ten aanzien van de huidige leefsituatie functioneert de verdachte stabiel. Hij woont bij zijn moeder, heeft een inkomen uit werk en voorziet zelfstandig in zijn levensonderhoud, waarbij hij tevens zijn schulden aflost. De verdachte is gemotiveerd om zijn leven verder op orde te houden en streeft maatschappelijk geaccepteerde doelen na, waaronder het verkrijgen van een eigen woning. Er zijn geen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik of een pro-criminele houding. De verdachte heeft zich gedurende het langdurige schorsingstoezicht gehouden aan de gemaakte afspraken met de reclassering en toont zich coöperatief. Hij stelt zich verantwoordelijk op en laat zien inzicht te hebben in zijn handelen. Als beschermende factoren gelden onder meer de stabiele woon- en werksituatie, de steun vanuit het gezin en de motivatie van de verdachte om zijn leven in positieve zin voort te zetten.
Risicoverhogende factoren worden op dit moment niet of in zeer beperkte mate gezien. Gelet op het voorgaande wordt het risico op recidive als laag ingeschat. Ook het risico op het veroorzaken van letsel en het risico op onttrekking aan voorwaarden worden als laag beoordeeld. Alles overwegende ziet de reclassering geen noodzaak tot het adviseren van interventies of bijzondere voorwaarden.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 15 mei 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar, elf maanden en vijftien dagen verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft bij de straftoemeting tevens oog gehad voor de concrete omstandigheden van dit geval. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol die de verdachte bij het plegen van het feit heeft vervuld.
Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals hiervoor in paragraaf 4.3.2 zijn beschreven. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de rechtbank verder gebleken dat het feit ook grote negatieve gevolgen heeft gehad voor de verdachte. Hij is zijn baan kwijtgeraakt en tot op heden is hij bezig met het terugbetalen van de auto waarin de verdachte met medeverdachten zat toen die werd beschoten. Die auto was van zijn werkgever. Hoewel dergelijke gevolgen in beginsel voor rekening en risico van de verdachte komen, laat de rechtbank deze gevolgen in dit concrete geval niet geheel buiten beschouwing bij de straftoemeting.
De rechtbank stelt voorts vast dat de redelijke termijn is overschreden; zij zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf.
Gelet op al het voorgaande wordt een gevangenisstraf voor de duur van 38 dagen opgelegd. Dit is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
Gelet op de ernst van het strafbare feit is daarnaast een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de ernst van de feiten, kan worden volstaan met een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 55, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 38 (achtendertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 april 2026.
Mrs. F.P.J. Schoonen en E.P. de Jong zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.