ECLI:NL:RBROT:2026:9024

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/9677
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6.7 WhtArt. 2.1 WhtArt. 19 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatieaanvraag Wet hersteloperatie toeslagen deels toegewezen voor toeslagjaar 2010

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2006, 2007, 2010 en 2011. De Dienst Toeslagen wees de aanvraag voor 2006, 2007, 2010 en 2011 af, behalve voor 2010 waar geen compensatie werd toegekend ondanks een fout in de automatische continuering van de kinderopvangtoeslag.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor 2010, omdat eiseres schade heeft geleden door het niet tijdig ontvangen van de toeslag. Voor de andere jaren is de afwijzing terecht, mede omdat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en eiseres reeds een tegemoetkoming ontving voor onterechte kwalificatie opzet/grove schuld.

Verder concludeert de rechtbank dat de Dienst Toeslagen alle relevante stukken heeft overgelegd en niet in strijd heeft gehandeld met de vooraankondigingsplicht zoals die gold ten tijde van de primaire besluiten. De rechtbank beveelt de Dienst Toeslagen aan binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over 2010 en veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit voor toeslagjaar 2010 en beveelt een nieuw besluit met compensatie, terwijl de afwijzing voor overige jaren wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9677

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. S. Heersink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag over de toeslagjaren 2006, 2007, 2010 en 2011. Volgens haar heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld en bij de invordering te hard opgetreden. Daarnaast is eiseres van mening dat de Dienst Toeslagen onvoldoende stukken heeft overgelegd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het jaar 2010. Voor de overige jaren heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht afgewezen. Ook heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Procesverloop

2. Met een besluit van 19 augustus 2022 (primair besluit 1) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor het jaar 2009 en de maanden januari tot en met september 2012 en januari tot en met november 2013 toegewezen.
2.1.
Met een besluit van diezelfde datum (primair besluit 2) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres voor de jaren 2006, 2007, 2010, 2011 en de maanden oktober tot en met december 2012 en december 2013 afgewezen.
2.2.
Met een besluit van 3 oktober 2022 (primair besluit 3) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2006, 2007, 2010, 2011 en de maand december 2013 toegewezen.
2.3.
Met een besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft op 12 mei 2025 en 24 februari 2026 nadere gronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op 30 juni 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
2.6.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiseres de gelegenheid geboden om te reageren op het ouderdossier. Eiseres heeft dat bij brief van 29 april 2026 gedaan. De Dienst Toeslagen heeft daar bij brief van 27 mei 2026 op gereageerd. Nadat geen van partijen heeft gereageerd op de vraag van de rechtbank of zij een nadere zitting wensen, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 16 juni 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft drie kinderen, geboren op 27 december 1996, 9 juli 2000 en 20 januari 2003. Ze heeft op 4 november 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Met primair besluit 1 heeft de Dienst Toeslagen het jaar 2009 en de maanden januari tot en met september 2012 en januari tot en met november 2013 beoordeeld en voor deze jaren en maanden compensatie ter hoogte van € 60.004,- toegekend.
3.2.
Met primair besluit 2 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2006, 2007, 2010, 2011 en de maanden oktober tot en met december 2012 en december 2013 beoordeeld en de aanvraag om compensatie over deze jaren en maanden afgewezen.
3.3.
Met primair besluit 3 heeft de Dienst Toeslagen beoordeeld of eiseres voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2010, 2011 en december 2013 recht heeft op een tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). De Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat eiseres over deze jaren en maanden ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. De Dienst Toeslagen heeft daarvoor een compensatie vastgesteld van € 7.270,-.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard en de compensatie vastgesteld op € 66.104,-. De bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 2 en 3 heeft de Dienst Toeslagen ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft de Dienst Toeslagen, voor zover in beroep van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2010 en 2011 zijn er geen aanwijzingen dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar is de kinderopvangtoeslag in 2010 niet automatisch gecontinueerd. Dat is echter met een besluit van 9 april 2010 hersteld, waarna eiseres alsnog kinderopvangtoeslag toegekend heeft gekregen voor een bedrag van € 19.698,-.
Heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
4. Eiseres heeft betoogd dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in geding heeft gebracht. Het gaat dan om de onderliggende stukken die zien op het onderzoek naar de vermelding in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV), de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de stukken die zien op het onderzoek naar discriminatie. Verder heeft eiseres verklaard dat zij haar persoonlijk dossier wil ontvangen.
4.1.
Uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan de op een zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De Dienst Toeslagen heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de Dienst Toeslagen tot het besluit is gekomen. Bovendien heeft eiseres haar ouderdossier op 23 april 2026 ontvangen. De stukken uit de FSV zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat niet is gebleken dat er een relatie is met de toekenning van kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met 2013. Ook de O/GS-stukken zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Eiseres heeft voor ieder toeslagjaar compensatie of een O/GS-tegemoetkoming gekregen. Voor de jaren waarover eiseres compensatie heeft gekregen, kan een geweigerde persoonlijke betalingsregeling vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie niet leiden tot een hogere compensatie. Een O/GS-tegemoetkoming blijft namelijk achterwege als er recht bestaat op compensatie. [1] Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser graag over haar persoonlijk dossier wil beschikken, kan het betoog van eiseres in deze procedure niet leiden tot het daarmee door haar beoogde resultaat. Op grond van het bepaalde in artikel 8:42 van Pro de Awb moet de Dienst Toeslagen in deze procedure namelijk ‘alleen’ de op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. Hiervoor heeft de rechtbank toegelicht dat niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen die verplichting heeft geschonden.
Had de Dienst Toeslagen een vooraankondiging moeten versturen?
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, omdat de Dienst Toeslagen geen vooraankondiging heeft gestuurd voorafgaand aan de besluitvorming over de integrale beoordeling.
5.1.
Op grond van artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, zoals deze bepaling luidde op 19 augustus 2022 en 3 oktober 2022 (de datums van de primaire besluiten), berekent de Dienst Toeslagen het voorlopige bedrag van de compensatie en informeert hij de aanvrager hierover schriftelijk door middel van een vooraankondiging. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht [2] volgt dat de verplichting om een vooraankondiging te doen alleen geldt als de Dienst Toeslagen voornemens is een compensatie toe te kennen. Het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken bevatte in artikel 3.2 een met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht vergelijkbare regeling. Per 15 juli 2023 is artikel 6.7, eerste lid, van de Wht gewijzigd. Sindsdien rust op de Dienst Toeslagen de verplichting om de aanvrager schriftelijk over de beslissing op een compensatieaanvraag te informeren door middel van een vooraankondiging, ook als de Dienst Toeslagen voornemens is de aanvraag af te wijzen. [3] Omdat de primaire besluiten zijn genomen vóór 15 juli 2023 en de Dienst Toeslagen hierbij de aanvraag heeft afgewezen, heeft de Dienst Toeslagen niet gehandeld in strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht (oud) door geen vooraankondiging te doen. [4]
Toeslagjaren 2006, 2007 en 2011
6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2006, 2007 en 2011 ten onrechte heeft geweigerd. De Dienst Toeslagen heeft vooringenomen gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag voor deze toeslagjaren te herzien buiten de in artikel 19 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling (Awir) gestelde termijn. Daarnaast stelt eiseres dat de Dienst Toeslagen bij het invorderen van de terugvorderingen over 2006 en 2007 hard heeft opgetreden en zij betoogt dat dit moet leiden tot compensatie. Zo zijn de bedragen zonder pardon verrekend met andere toeslagen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie in het geval artikel 19 van Pro de Awir zou zijn geschonden. De Afdeling heeft naar aanleiding van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus [5] geoordeeld dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. [6] De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [7]
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2007 op de grond dat bij de invordering hard is opgetreden. Eiseres heeft voor deze toeslagjaren een O/GS-tegemoetkoming ontvangen. Deze tegemoetkoming is bedoeld om ouders herstel te bieden in het geval dat de terugvordering terecht was, maar een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie. [8] De terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 en 2007 waren terecht en eiseres is voor de harde invordering al gecompenseerd door het toekennen van de O/GS-tegemoetkoming. Het harde optreden bij de invordering is geen grond voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Toeslagjaar 2010
7. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het toeslagjaar 2010. Eiseres heeft in dit toeslagjaar lang moeten wachten op de toekenning van de kinderopvangtoeslag, terwijl de kinderopvangtoeslag automatisch gecontinueerd had moeten worden. Zij vermoedt dat dit komt door de plaatsing op een signaallijst.
7.1.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Uit het beleid van de Dienst Toeslagen [9] volgt dat het feit dat de kinderopvangtoeslag niet automatisch is gecontinueerd, op zichzelf geen vooringenomen handeling is. Afhankelijk van de omstandigheden kan het niet automatisch continueren wel tot vooringenomenheid leiden. Daarbij is van belang dat de Dienst Toeslagen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de aanvraag. Uit dat onderzoek moet zijn gebleken dat het volgende jaar naar alle waarschijnlijkheid geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag en dat de ouder op de juiste manier is geïnformeerd over het niet automatisch continueren. De ouder heeft volgens het beleid echter geen recht op compensatie, als de ouder geen schade heeft geleden. De ouder heeft geen schade geleden wanneer er aan het begin van het nieuwe jaar geen recht bestond op de kinderopvangtoeslag (bijvoorbeeld vanwege geen opvang) of als er toch nog tijdig kinderopvangtoeslag is toegekend en uitgekeerd in het nieuwe jaar, waardoor de ouder geen enkele kinderopvangtoeslaguitbetaling is misgelopen.
7.2.
Uit het dossier blijkt niet dat de Dienst Toeslagen zorgvuldig heeft onderzocht of in het jaar 2010 naar alle waarschijnlijkheid geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Integendeel, uit de toelichting op het primaire besluit 2 staat dat het niet continueren van de kinderopvangtoeslag in 2010 een fout was:
“De KOT is in eerste instantie niet automatisch gecontinueerd, blijkt uit de systemen van de BD/T. Er is sprake van een fout; die is hersteld in de beschikking van 9-4-2010 (T1000011). De Kot is vastgesteld op € 18.698,-. Er is in dit verband echter geen aanwijzing voor vooringenomen handelen door de BD/T.”Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat eiseres eind 2009 of begin 2010 op de juiste manier is geïnformeerd over het niet continueren van de kinderopvangtoeslag. Op grond van het beleid is in dit geval dus wel sprake van vooringenomen handelen. Uit het dossier volgt dat de eerste betaling van de kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Eiseres is daardoor de betalingen van januari tot en met maart misgelopen, terwijl zij in die maanden wel kinderopvang heeft afgenomen en recht had op kinderopvangtoeslag. Daarmee staat (conform het beleid van de Dienst Toeslagen) vast dat eiseres schade heeft geleden en dus dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2010 ten onrechte heeft afgewezen.
7.3.
Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover daarin is besloten dat geen compensatie voor het toeslagjaar 2010 wordt toegekend. De overige beroepsgronden die zien op het toeslagjaar 2010 behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is besloten dat geen compensatie voor het toeslagjaar 2010 wordt toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet zij geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor zes weken.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is besloten dat geen compensatie voor het toeslagjaar 2010 wordt toegekend;
- draagt de Dienst Toeslagen op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1397, r.o. 7. e.v.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.8.
9.Zie het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, paragraaf 3.1.6.