ECLI:NL:RBROT:2026:9020

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
71/094136-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957Art. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 188 Turkse Wetboek van Strafrecht 5237Art. 220 Turkse Wetboek van Strafrecht 5237
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering aan Turkije afgewezen wegens kennelijke onschuld opgeëiste persoon

De rechtbank Rotterdam behandelde het uitleveringsverzoek van Turkije tegen de opgeëiste persoon, die wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie en drugshandel met betrekking tot een partij van 220 kilogram cocaïne in de haven van Mersin.

De opgeëiste persoon werd in Turkije in eerste aanleg en in hoger beroep vrijgesproken van deze feiten. De rechtbank stelde vast dat de vrijspraak betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als het uitleveringsverzoek. De officier van justitie voerde aan dat de verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie een langere pleegperiode betreft, maar dit kon niet worden onderbouwd met het dossier.

De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon zijn kennelijke onschuld voldoende heeft aangetoond en dat de uitlevering daarom ontoelaatbaar is. De uitleveringsdetentie, die eerder was geschorst, werd opgeheven. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken op 24 juni 2026.

Uitkomst: De uitlevering aan Turkije is ontoelaatbaar verklaard wegens kennelijke onschuld van de opgeëiste persoon.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
UTL-nummer: UTL-I-2025014998
Parketnummer: 71/094136-25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Uitspraakvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
van Turkse nationaliteit,
ingeschreven in de basisadministratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 29 april 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd. De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket (hierna: de officier van justitie) verzocht het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen.
Op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:
  • de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure;
  • de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. C. Ihataren, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 voorafgaand aan de zitting een e-mail van de raadsvrouw met bijlagen ontvangen. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon nog een stuk (een gewaarmerkt afschrift van een vonnis van de Turkse rechtbank te Mersin van 28 december 2021) in de Turkse taal overgelegd.
De officier van justitie heeft op deze zitting primair geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en subsidiair tot gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering, en heeft een schriftelijke samenvatting daarvan aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft op deze zitting het onderzoek op de zitting geschorst en de officier van justitie opgedragen een Nederlandse vertaling van het door de opgeëiste persoon overgelegde vonnis aan te leveren en nadere informatie op te vragen bij de Turkse autoriteiten. Dat betreft het arrest van het Turkse gerechtshof in het hoger beroep in die zaak inclusief Nederlandse vertaling en het navragen of in die zaak onherroepelijk uitspraak is gedaan en of het in die zaak gaat om dezelfde verdenking(en) als in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht.
De rechtbank heeft op 29 mei 2026 van de officier van justitie een e-mail ontvangen, met als bijlagen een Nederlandse vertaling van het overgelegde vonnis van de rechtbank te Mersin en een bericht van de Turkse autoriteiten van 23 januari 2026, met daarin hun antwoord op de gestelde vragen en de Nederlandse vertaling daarvan.
Op 10 juni 2026 heeft de nadere behandeling van het uitleveringsverzoek op de openbare zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft op deze zitting de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gehoord.
De raadsvrouw heeft op deze zitting een stuk overgelegd in de Turkse taal, te weten een arrest in hoger beroep van het gerechtshof in Adana van 6 juni 2024. De op de zitting aanwezige tolk in de Turkse taal heeft dit stuk in grote lijnen vertaald.
De officier van justitie heeft op deze zitting nogmaals primair geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en subsidiair tot gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering.

2.Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en de twee daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen van 18 maart 2025, die zijn uitgevaardigd door het gerecht in Istanbul, genaamd ‘Istanbul 12. Sulh Ceza Hâkimliği’.
Het betreft de volgende strafbare feiten:
handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen, strafbaar gesteld in artikel 188, leden 1, 3 en 5 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237;
lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen, strafbaar gesteld in artikel 220, leden 1 en 2 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237.
Deze strafbare feiten zijn in het uitleveringsverzoek (op pagina 2) als volgt omschreven:
“FEITEN MET BETREKKING TOT HET PLEGEN VAN HET MISDRIJF:
De gegevens van het versleutelde communicatieprogramma 'SKY-ECC' zijn ontcijferd door de bevoegde autoriteiten van de landen die deel uitmaken van het Joint Investigation Team; Frankrijk, België en Nederland, met als doel internationale handel in verdovende middelen tegen te gaan. De geanalyseerde gegevens zijn op grond van het Europol Onderhandelingsdocument ter beschikking gesteld aan de justitiële autoriteiten van ons land. Bij de beoordeling van deze gegevens is vastgesteld dat er sprake is van
een criminele organisatie, opgericht onder leiding van de persoon genaamd [naam], met het Turkse identificatienummer [nummer 1], die zich herhaaldelijk heeft beziggehouden met internationale drugstransporten. In dit kader is door het Openbaar Ministerie te Istanbul een onderzoek gestart onder dossiernummer 2024/276024. In het kader van het onderzoek naar de leden van de betreffende organisatie en de door hen uitgevoerde handelingen, is op basis van de analyse van de SKY-ECC-gegevens vastgesteld dat de verdachte [verdachte] (T.R. [nummer 2]) lid is van een criminele organisatie die is opgericht onder leiding van [naam].
Bevindingen met betrekking tot de handelingen van de verdachte binnen het kader van de criminele activiteiten:
1.
Op 20 oktober 2020 is in de haven van Mersin een hoeveelheid van 220 kilogram cocaïne in beslag genomen. Uit het onderzoek van de SKY-ECC-communicatie tussen de leiders van de organisatie, waaronder [naam], en andere leden van de organisatie, is gebleken dat op 20 oktober 2020 een container met 220 kilogram cocaïne naar de provincie Mersin is verzonden.

Om deze drugs vanuit de haven veilig over te brengen, zijn onder anderen [verdachte] en nog twee personen door de organisatie aangewezen. Tijdens de voorbereidingen om de drugs uit de haven te halen, zijn de betreffende middelen door de autoriteiten in beslag genomen.

2.
Uit het volledige onderzoek van de communicatie op het SKY-ECC-platform tussen [naam] en andere verdachten die met de zaak in verband worden gebracht, is gebleken dat de verdachte bovengenoemde handelingen heeft uitgevoerd als onderdeel van de criminele activiteiten. Verder is vastgesteld dat de verdachte tijdens deze handelingen handelde op instructie van de leiders van de organisatie. Daarom is vastgesteld dat de verdachte lid is van een criminele organisatie die is opgericht onder leiding van [naam] en dat hij betrokken was bij de import, export en het transport van verdovende middelen binnen het kader van deze criminele activiteiten. Er is vastgesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de misdrijven "lidmaatschap van een criminele organisatie met het oog op het plegen van misdrijven" en "handel in of levering van verdovende en stimulerende middelen.”

3.Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4.Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is, genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

5.Toelaatbaarheid

Standpunt opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw hebben primair aangevoerd dat de opgeëiste persoon onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht en dat hij dit onverwijld kan aantonen. Hij is bij vonnis van de rechtbank te Mersin in Turkije van 28 december 2021 van deze feiten vrijgesproken en deze vrijspraak is bekrachtigd door het gerechtshof in Adana bij arrest van 6 juni 2024. De vrijspraak ziet op hetzelfde feitencomplex, namelijk de invoer van en de handel in verdovende middelen op 20 oktober 2020, waarbij het ging om het transport van 220 kilogram cocaïne via de haven van Mersin dat samen met anderen zou zijn uitgevoerd. De uitlevering moet daarom ontoelaatbaar worden verklaard.
Subsidiair is sprake van de weigeringsgrond dat de stukken ongenoegzaam zijn. Er is nog veel onduidelijk, onder andere of de zaak nog bij het Hof van Cassatie wordt behandeld. Uit het bericht van de Turkse autoriteiten van 23 januari 2026 volgt onvoldoende duidelijk wat de stand van zaken is. De officier van justitie heeft niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank om na te vragen of de vrijspraak ziet op dezelfde verdenking(en) als in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht.
Meer subsidiair is er een dreigende flagrante schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelet de situatie in de rechterlijke macht van Turkije.
Uiterst subsidiair is er sprake van een dreigende schending van artikel 8 EVRM Pro, gelet op de ziekte van de dochter van de opgeëiste persoon.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering ten aanzien van beide feiten en subsidiair tot gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering, namelijk alleen ten aanzien van feit 2, het lidmaatschap van een criminele organisatie. De verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie (feit 2) ziet niet alleen op het drugstransport op 20 oktober 2020, maar op een langere pleegperiode, omdat in het uitleveringsverzoek de arrestatiedatum als pleegdatum is genoemd en de opgeëiste persoon op 16 april 2025 is aangehouden. De verdenking daarvoor komt bovendien voort uit de aan de Turkse autoriteiten verstrekte SkyECC-data, die pas later beschikbaar zijn gekomen.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de in het uitleveringsverzoek omschreven verdenking ten aanzien van feit 1 ‘de handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen’ ziet op hetzelfde feit als waarvoor de opgeëiste persoon eerder terecht heeft gestaan bij de Turkse rechtbank te Mersin en waarvan hij bij vonnis van deze rechtbank van 28 december 2021 is vrijgesproken. Bij arrest van 6 juni 2024 is deze vrijspraak in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof te Adana. Ook in deze zaak ging het om de partij van 220 kilogram cocaïne die op 20 oktober 2020 is aangetroffen in een container in de haven van Mersin. De rechtbank stelt daarmee vast dat dit arrest ziet op hetzelfde feitencomplex.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vrijspraak van de opgeëiste persoon ook ziet op het lidmaatschap van een criminele organisatie (feit 2). Dat leidt de rechtbank allereerst af uit de omschrijving van de feiten in het uitleveringsverzoek. Ten aanzien van deze verdenking is gewezen op de onder 1 en 2 genoemde bevindingen ten aanzien van de handelingen van de opgeëiste persoon. Onder 1 zijn de handelingen genoemd die betrekking hebben op het drugstransport op 20 oktober 2020. Onder 2 is vermeld dat hij lid is van de criminele organisatie, die blijkens de SkyECC-gesprekken zou bestaan. In de omschrijving van dat feit 2 wordt echter nadrukkelijk en uitsluitend verwezen naar genoemde handelingen van de opgeëiste persoon met betrekking tot het drugstransport van 20 oktober 2020 (feit 1). Andere handelingen worden niet aan de deelname door de opgeëiste persoon aan de vermeende criminele organisatie ten grondslag gelegd. Daaruit leidt de rechtbank af dat feit 2, de deelname aan de criminele organisatie, grotendeels, zo niet volledig is gestoeld op de onder feit 1 gepleegde handelingen.
De rechtbank ziet dit ook bevestigd in het bericht van de Turkse autoriteiten van 23 januari 2026, waaruit de rechtbank opmaakt dat de vrijspraak betrekking heeft op beide feiten. De Turkse autoriteiten verwijzen in dit bericht namelijk nadrukkelijk naar het ambtelijk schrijven van de Minister van 15 december 2025 met verwijzing naar beide strafbare feiten. In het bericht is vermeld dat deze zaken zijn onderzocht en dat momenteel een beroep loopt bij het Hof van Cassatie, waaruit de rechtbank niet anders kan dan afleiden dat dit ziet op beide feiten.
Het argument dat de officier van justitie aanvoert, namelijk dat de verdenking ten aanzien van lidmaatschap van een criminele organisatie ziet op een langere pleegperiode en dus op meer dan de handelingen ten aanzien van dit drugstransport, volgt niet uit het uitleveringsverzoek en de daaraan ten grondslag liggende arrestatiebevelen. Daarin is geen langere pleegperiode genoemd en dat kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat in het uitleveringsverzoek de arrestatiedatum als pleegdatum is vermeld. Voor wat betreft de concrete handelingen van de opgeëiste persoon worden alleen de handelingen ten aanzien van het drugstransport op 20 oktober 2020 beschreven en in het aanhoudingsbevel wordt bij de pleegdatum niet de arrestatiedatum, maar ‘2020’ genoemd. Dat uit de SkyECC-data nieuw bewijs is voortgekomen, dat ten tijde van de vrijspraak in 2021 en de bekrachtiging door het gerechtshof in 2024 nog niet bekend was, volgt evenmin uit enig stuk in het dossier.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd onverwijld zijn kennelijke onschuld heeft aangetoond en er daarom ten aanzien van hem geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten. Weliswaar is de vrijspraak nog niet onherroepelijk, omdat er een beroep loopt bij het Hof van Cassatie, maar bij de huidige stand van zaken, waarbij de opgeëiste persoon is vrijgesproken in eerste en tweede aanleg, heeft deze zijn kennelijke onschuld voldoende aangetoond. De rechtbank acht de uitlevering daarom ontoelaatbaar.
De uitleveringsdetentie, die eerder was geschorst, zal worden opgeheven.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart
ontoelaatbaarde uitlevering aan Turkije van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen;
heft op de uitleveringsdetentie, die bij eerder beslissing is geschorst.
Deze beslissing is genomen door:
mr. T.M. Riemens, voorzitter,
mrs. L. Daum en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.
Mrs. Daum en Nuijens zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.