ECLI:NL:RBROT:2026:8984

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/10/720017 / KG ZA 26-484
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.16 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbankenArt. 6.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbankenArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing geldvordering en gebod nakoming aandeelhoudersovereenkomst in kort geding

GSM vordert in kort geding betaling van een geldsom van €42.750,- vermeerderd met rente en kosten, en een gebod aan gedaagden om zich te houden aan de aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat het spoedeisend belang onvoldoende is aangetoond en dat de vordering zich niet leent voor kort geding, mede door de door gedaagden gevoerde verweren.

De feiten betreffen een geldleningsovereenkomst tussen GSM en gedaagde 1, met hoofdelijk verbondenheid van gedaagde 2. Gedaagden betwisten de terugbetalingsverplichting en stellen dat het bedrag als kapitaalstorting is gebruikt. Daarnaast is er een geschil over de geldigheid van een brief en overeenkomst die gedaagden buitengerechtelijk hebben vernietigd wegens bedreiging en misbruik van omstandigheden.

De voorzieningenrechter laat te laat ingediende producties en een eis in reconventie buiten beschouwing. De rechtbank oordeelt dat zonder nader onderzoek, waarvoor kort geding niet geschikt is, niet kan worden vastgesteld wie gelijk heeft. Ook ontbreekt bewijs van de aandeelhoudersovereenkomst, waardoor nakoming niet kan worden bevolen.

GSM wordt veroordeeld in de proceskosten van €4.449,- en de wettelijke rente hierover. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de geldvordering en het gebod tot nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst af wegens onvoldoende spoedeisend belang en bewijs, en veroordeelt GSM in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720017 / KG ZA 26-484
Vonnis in kort geding van 22 juli 2026
in de zaak van
GRAND SLAM MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: GSM,
advocaat: mr. Th.C. Visser,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.K. Tsui,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De zaak in het kort

GSM vordert in dit kort geding betaling van een geldsom. Deze vordering wordt afgewezen. Het spoedeisend belang bij de vordering is onvoldoende aannemelijk. Ook geldt dat de vordering zich niet leent voor behandeling in kort geding gelet op de door gedaagden gevoerde verweren. De vordering tot het uitspreken van een gebod voor gedaagden om zich te houden aan de aandeelhoudersovereenkomst wordt eveneens afgewezen. Deze beslissingen worden als volgt toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 25 juni 2026, met producties 1 tot en met 7;
- producties 1, 2, 3, 4, 8, 9 en 10 van gedaagden;
- de akte vermeerdering van eis van GSM;
- productie 8 van GSM;
- de pleitnota van GSM;
- de pleitnota tevens houdende eis in reconventie van gedaagden.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 8 juli 2026 plaatsgevonden. Mr. Visser heeft op die mondelinge behandeling verzocht de nadere producties 9 en 10 en de ter zitting ingestelde eis in reconventie van gedaagden buiten beschouwing te laten.

3.De feiten

3.1.
GSM is één van de bestuurders van [bedrijf 1] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’). [gedaagde 1] was tot 6 november 2025 één van de bestuurders van [bedrijf 1] . [gedaagde 2] is bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] .
3.2.
GSM en [gedaagde 1] hebben een geldleningsovereenkomst gesloten waarin zij onder andere het volgende hebben afgesproken:

Artikel 1 € 42.750 Hoofdsom
1. De geldgever verstrekt aan de geldnemer per 1 augustus 2024 ter leen een bedrag van € 42.750 ( zegge twee en veertig duizend zeven honderd en vijftig euro ), hierna te noemen “hoofdsom”, welk bedrag de geldnemer per bank heeft ontvangen van de geldgever en aan de geldgever verschuldigd is. Dit bedrag zal overgemaakt worden op IBAN nummer [rekeningnummer] tnv [gedaagde 2] . Dit voor de aankoop van [bedrijf 2] B.V [plaats]
2. De geldnemer, [gedaagde 1] B.V. en persoonlijk [gedaagde 2] met ID nummer [nummer] verklaren zich hoofdelijk verbonden voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente.
Artikel 2 Rente Pro
1. Over de hierboven schuldig erkende hoofdsom is een rente van 5% per jaar achteraf verschuldigd per datum als bedoeld in artikel 1 lid Pro 1. De rentevergoeding blijft vanaf de datum als bedoeld in artikel 1 lid 1 van Pro kracht tot 31-7-2028 wanneer de lening is afgelost.
Artikel 3 Wijze Pro van aflossing
1. Aflossing van het saldo van de uitstaande hoofdsom geschiedt op basis van maandelijkse aflossing van achtereenvolgende betaling van de annuïteit €984,51(zegge negen honderd en vierentachtig euro en een en vijftig cent). Dit bedrag is voor het eerst verschuldigd 5 maanden na de datum als bedoeld in artikel 1 lid 1 en Pro zal geïncasseerd worden vanaf 1-1-2025 in 48 maandelijkse termijnen
2. Rente over periode van 1-8-2024 tot 31-12-2024 wordt op 31-12-2024 geïncasseerd.
Artikel 4 Looptijd Pro, opeisbaarheid en aflosbaarheid
1. De lening is aangegaan voor een periode van 48 maanden en eindigt derhalve op 31-7-2028.
2. De lening is van de zijde van de geldgever te allen tijde opeisbaar na schriftelijke waarschuwing en/of ingebrekestelling.
3. De lening is van de zijde van de geldnemers immer en zonder kosten direct aflosbaar.(..)”
3.3.
Op 13 november 2025 heeft [gedaagde 2] een brief aan GSM gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:

De lening van Grand Slam Management:
het bedrag is rond €45,000-€47.000 wat ik nog verschuldigd ben aan jullie. Ik zal morgen (vrijdag 14 november) met mijn moeder praten hoe wij dit zo snel mogelijk kunnen overmaken naar jullie. Ik wil dit dan aankomende maandag 17 november met jullie bespreken. Ik had vandaag (donderdag 13 november) [persoon A] laten weten dat ik op dit moment nog niet veel kan zeggen op de manier hoe ik het terug ga betalen, maar ik weet meer op maandag, omdat ik morgen eerst met me moeder moet gaan praten. Ik wil jullie wel gerust stellen dat het verschuldigde bedrag wordt betaald. Ik snap als er geen vertrouwen meer is in mijn woorden, maar ik zal maandag met een plan van aanpak komen over hoe en wat. Volgens mij kwam er een koper op maandag, ik stel voor om op die dag alles goed te bespreken over het verloop van Mannam.”
3.4.
Op 14 november 2025 hebben GSM en [gedaagde 1] een overeenkomst van schuldverrekening en terugbetaling getekend, waarin zij onder andere het volgende hebben afgesproken:

Overwegende dat:
1. [gedaagde 1] aan GSM een bedrag van € 25.000,- heeft verstrekt, welke lening door Partijen uitdrukkelijk is bedoeld als kapitaalstorting ten behoeve van het toekomstige aandeelhouderschap van [gedaagde 1] in [bedrijf 1] B.V;
2. [bedrijf 1] B.V. op dat moment nog niet bestond, waardoor het voor [gedaagde 1] niet mogelijk was om de kapitaalstorting rechtstreeks in de vennootschap te storten;
3. GSM deze € 25.000,- volledig en aantoonbaar heeft aangewend voor de opstart, inrichting, verbouwing en aanloopkosten van [bedrijf 1] B.V., waardoor dit bedrag deel uitmaakt van de kapitaalstorting van [gedaagde 1] , en derhalve niet langer een terug te betalen lening vormt door GSM aan [gedaagde 1] ;
4. Hierdoor het bedrag van € 25.000,- volledig kwalificeert als kapitaalstorting, en niet als een terug te betalen lening, zodat GSM dit bedrag niet verschuldigd is aan [gedaagde 1] ;
(..)
6. De totale kapitaalstorting voor een aandelenbelang van 30% van [gedaagde 1] in [bedrijf 1] B,V. door Partijen is vastgesteld op € 67.750,-;
7. De verstrekte kapitaalstorting van € 25.000,- door [gedaagde 1] reeds onderdeel uitmaakt van deze totale inleg, en het restant van € 42.750,- door [gedaagde 1] aan GSM dient te worden voldaan;
(..)
Artikel 1 — Erkenning van schuld
1. [gedaagde 1] erkent uit hoofde van de tussen Partijen overeengekomen kapitaalstorting en de door
GSM voorgeschoten kosten een opeisbare schuld aan GSM van € 42.750,- (zegge: tweeënveertigduizend zevenhonderdvijftig euro).
2. [gedaagde 1] erkent uit hoofde van de tussen Partijen overeengekomen lening een opeisbare schuld aan GSM van € 42.750,- (zegge: tweeënveertigduizend zevenhonderdvijftig euro), welke door [gedaagde 1] dient te worden afgelost.
3. Deze schuld maakt deel uit van de totale kapitaalstorting van € 67.750,- voor het 30% aandelenbelang van [gedaagde 1] in [bedrijf 1] B.V.(..)”
3.5.
Op 6 juli 2026 heeft [gedaagde 2] , handelend voor zichzelf en als bestuurder van [gedaagde 1] , de brief van 13 november 2025 (zie 3.3) en de tweede overeenkomst (zie 3.4) buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden.

4.Het geschil

4.1.
GSM vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 42.750,00, vermeerderd met rente en kosten;
  • gedaagden te gebieden zich te houden aan wat is overeengekomen in de aandeelhoudersovereenkomst en te voldoen aan hun verplichtingen dien conform, waaronder, maar niet uitsluitend, de bijstortingsverplichting, gelet op de doorlopende kosten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag, met een maximum van € 100.000;
  • gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van GSM, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van GSM, met veroordeling van GSM in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Producties 9 en 10 en de eis in reconventie van gedaagden worden buiten beschouwing gelaten
5.1.
Mr. Visser maakt bezwaar tegen de nader ingediende producties 9 en 10 van gedaagden. Deze zijn te laat ingediend. Hij maakt ook bezwaar tegen het ter zitting instellen van een eis in reconventie. Dat is in strijd is met de goede procesorde. De producties en de eis in reconventie moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten, aldus mr. Visser.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat productie 9 op 7 juli 2026 aan het einde van de dag is ingediend en productie 10 op 8 juli 2026 in de ochtend. Beide producties zijn korter dan 24 uur voor de zitting ingediend. Mr. Tsui heeft ter zitting geen deugdelijke verklaring gegeven waarom de stukken zo laat pas zijn ingediend. De voorzieningenrechter laat de producties op grond van artikel 3.16 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken dan ook buiten beschouwing.
5.3.
Voor de eis in reconventie geldt dat deze eis en de gronden daarvan uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling moet worden ingediend (artikel 6.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Nu gedaagden hieraan niet hebben voldaan, nog daargelaten de aard en omvang van de reconventionele vorderingen, wordt de eis in reconventie buiten beschouwing gelaten.
Het toetsingskader
5.4.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
De geldvordering van GSM wordt afgewezen
5.5.
GSM stelt in de dagvaarding dat zij een spoedeisend belang bij haar geldvordering heeft, omdat de geleende geldbedragen onmisbaar zijn voor de exploitatie van GSM en noodzakelijk zijn voor het voldoen aan lopende verplichtingen, waaronder het betalen van haar werknemers, het betalen van leveranciers en het betalen van de huur van bedrijfspanden. Een bodemprocedure kan niet worden afgewacht, omdat afwachting daarvan het risico met zich meebrengt dat de verhaalsmogelijkheden van GSM verslechteren. Gedaagden betwisten het spoedeisend belang van GSM. Zij voeren aan dat GSM haar stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Daarbij komt dat GSM haar verhaal positie reeds heeft veilig gesteld door beslag te leggen op de woning van [gedaagde 2] .
5.6.
GSM heeft enkel gesteld dat de geleende geldbedragen onmisbaar zijn voor haar bedrijfsvoering, maar heeft dit niet onderbouwd. Daar komt bij dat dit standpunt moeilijk te rijmen is met de aanvankelijk betrekkelijke lange overeengekomen termijn tot terugbetaling van de lening, namelijk 48 maanden na 1 januari 2025. Een toelichting op dit punt ontbreekt. Er is dus niet aannemelijk geworden dat een onmiddellijke voorziening is vereist.
5.7.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog het volgende over de aannemelijkheid van de vordering.
5.8.
Gedaagden stellen dat [gedaagde 2] en zijn ouders zijn geïntimideerd door bekladding van de buitenmuur van de snackbar van de ouders van [gedaagde 2] met de tekst “betalen [persoon B] ”. De vader van [gedaagde 2] heeft hier aangifte van gedaan bij de politie. Gedaagden stellen voorts dat er enkele dagen later, op 13 november 2025, twee besprekingen hebben plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] en vertegenwoordigers van GSM, waarbij GSM zou hebben gezegd dat de ouders van [gedaagde 2] in de problemen zouden komen als [gedaagde 2] de schuld aan GSM niet zou erkennen. Na deze besprekingen heeft [gedaagde 2] de in 3.3 genoemde brief aan GSM gestuurd en de door GSM opgestelde overeenkomst uit 3.4 getekend. Gedaagden hebben deze stukken inmiddels buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden. GSM betwist iets te maken te hebben met de bekladding en betwist dat sprake is geweest van bedreiging. Een beroep op vernietiging van de brief en de overeenkomst slaagt daardoor niet, aldus GSM.
5.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat zonder nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet te bepalen is wie van partijen het gelijk aan haar/hun zijde heeft. In dit kort geding kan niet vooruit worden gelopen op de beslissing van de bodemrechter over de vernietiging van rechtshandelingen en de precieze gevolgen daarvan voor de vorderingen. Daar komt bij dat gedaagden zich ook op het standpunt stellen dat het bedrag uit de leningsovereenkomst niet is betaald aan [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , maar is gebruikt als kapitaalstorting in [bedrijf 1] en dat van een terugbetalingsverplichting van gedaagden geen sprake is. Ook dit aspect zal in een bodemprocedure nader aan de orde moeten komen. Het voorgaande betekent dat de vordering (ook) onvoldoende aannemelijk is voor toewijzing in kort geding.
5.10.
Omdat de geldvordering wordt afgewezen, worden de nevenvorderingen tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom en betaling van de buitengerechtelijke kosten ook afgewezen.
Het gebod dat gedaagden zich houden aan de aandeelhoudersovereenkomst wordt afgewezen
5.11.
GSM stelt dat partijen een aandeelhoudersovereenkomst hebben gesloten, maar dat gedaagden de verplichtingen uit deze overeenkomst, waaronder de bijstortingsverplichting, niet nakomen. Gedaagden stellen primair dat de vordering, die is ingesteld bij akte vermeerdering van eis, in strijd is met de goede procesorde en verzoeken deze buiten beschouwing te laten. Gedaagden betwisten het bestaan van de gestelde aandeelhoudersovereenkomst. Volgens gedaagden bepalen de statuten van [bedrijf 1] en de wet de onderlinge rechten en plichten van de aandeelhouders.
5.12.
De akte vermeerdering van eis is binnen de daarvoor in het procesreglement gestelde termijn ingediend. Bovendien hebben gedaagden ter zitting uitgebreid verweer gevoerd op de vordering. Dat zij zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden, is niet aannemelijk. De vermeerdering van eis wordt dus toegestaan.
5.13.
De voorzieningenrechter wijst de vordering af. GSM heeft nagelaten de gestelde aandeelhoudersovereenkomst in het geding te brengen. Een gebod dat strekt tot nakoming van deze betwiste overeenkomst, waarvan de inhoud voor de voorzieningenrechter niet kenbaar is, kan reeds om die reden niet worden toegewezen. De subsidiair aangevoerde verweren van gedaagden kunnen daarom onbesproken blijven.
GSM wordt in de proceskosten veroordeeld
5.14.
Omdat GSM ongelijk krijgt in deze procedure, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.449,00
5.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van GSM af,
6.2.
veroordeelt GSM in de proceskosten van € 4.449,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
veroordeelt GSM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
3608/1729