ECLI:NL:RBROT:2026:8983

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721254 / KG ZA 26-573
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RvArt. 7 GrondwetArt. 8 EVRMArt. 10 EVRMArt. 4 lid 1 Verordening EG 864/2007 (Rome II)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verbod onrechtmatige uitlatingen wegens onvoldoende onderbouwing

Eiseres vordert in kort geding dat gedaagde wordt verboden zich onrechtmatig uit te laten over haar, waaronder smaad en laster, en dat hij haar en haar omgeving niet meer mag benaderen. Gedaagde verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek wordt verleend.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van de gestelde onrechtmatige uitlatingen en de daaruit voortvloeiende schade. De vordering is gebaseerd op een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en het recht op bescherming van eer en goede naam van eiseres.

Na afweging van deze fundamentele rechten oordeelt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde onrechtmatig handelt. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing van onrechtmatige uitlatingen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/721254 / KG ZA 26-573
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende op een geheim adres,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S. Koçak,
tegen
[gedaagde],
wonende op een onbekend adres in [land] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 11 juni 2026, met producties 1 tot en met 6.
1.2.
[eiseres] heeft nog een nadere productie 7 ingediend. Deze productie is echter niet aan [gedaagde] betekend en omdat [gedaagde] niet in het geding is verschenen, kan niet worden vastgesteld of [gedaagde] deze productie heeft ontvangen. Productie 7 wordt dus buiten beschouwing gelaten.
1.3.
[gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, die plaatsvond op 2 juli 2026, diverse stukken toegezonden aan de voorzieningenrechter. Omdat [gedaagde] niet (digitaal) op de mondelinge behandeling aanwezig was, is hij niet in de procedure verschenen. De voorzieningenrechter laat de door [gedaagde] ingediende stukken dan ook buiten beschouwing.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn samen de ouders van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014; en
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016.
2.2.
[eiseres] woont samen met de kinderen in Nederland; [gedaagde] woont in [land] .

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagde] te verbieden om zich jegens [eiseres] op welke wijze dan ook nog onrechtmatig uit te laten, waaronder begrepen smaad en/of laster, en om [eiseres] , haar werkgever, familieleden en/of andere derden te benaderen of te (laten) contacteren;
  • [gedaagde] te veroordelen om iedere publicatie, verspreiding of openbaarmaking van uitlatingen of gegevens betreffende [eiseres] te staken en gestaakt te houden;
  • te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 200,- per dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 1 en 2 gevorderde, met een maximum van € 20.000,-;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv, omdat het gestelde schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Nederlands recht is van toepassing op dit geschil, omdat de gestelde schade zich in Nederland voordoet (artikel 4 lid 1 Verordening Pro EG 864/2007, Rome II).
Tegen [gedaagde] wordt verstek verleend
4.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] op een onbekend adres in [land] woont. Uit de overgelegde echtscheidingsbeschikking van de echtscheidingsprocedure in [land] uit het jaar 2020 blijkt dat [gedaagde] destijds een bekend adres had. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat het in die beschikking opgenomen adres het adres van haar ouders is en dat zeker is dat [gedaagde] daar niet meer verblijft. [eiseres] weet niet waar [gedaagde] op dit moment woont, alleen dat dat in [land] is.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dagvaarding terecht aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dit gerecht is betekend waarbij het uittreksel van het exploot bekend is gemaakt in de Staatscourant, één en ander zoals is bepaald in art. 54 lid 2 Rv Pro. Tegen [gedaagde] wordt daarom verstek verleend. Hij is immers goed opgeroepen en niet verschenen, ook niet nadat hem de kans is geboden om digitaal aan de zitting deel te nemen.
Het is onvoldoende aannemelijk dat de vorderingen gegrond en rechtmatig zijn
4.4.
[eiseres] stelt in de dagvaarding dat zij sinds geruime tijd geconfronteerd wordt met onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] tegen derden uit de persoonlijke en professionele omgeving van [eiseres] . Meer in het bijzonder stelt [eiseres] dat [gedaagde] zich herhaaldelijk negatief en beschuldigend over haar heeft uitgelaten via berichten en online publicaties, waaronder uitingen op sociale media en andere openbare platforms. Daarnaast heeft [gedaagde] contact gezocht met haar werkgever en uitlatingen over [eiseres] openbaar gemaakt binnen haar professionele netwerk, en voorts heeft [gedaagde] haar familieleden, vrienden en andere personen uit haar directe omgeving benaderd, aldus [eiseres] . De uitlatingen van [gedaagde] tasten haar goede naam aan, raken haar persoonlijke levenssfeer en de uitlatingen hebben negatieve gevolgen voor haar sociale en professionele positie.
4.5.
De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting in artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro van [gedaagde] tegenover het recht van [eiseres] op de bescherming van eer en goede naam (artikel 8 EVRM Pro). Bij een afweging van deze rechten dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. Het oordeel dat een van beide rechten (waartussen op zichzelf geen rangorde van belangrijkheid geldt), na weging van alle omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht brengt mee dat de inbreuk op het andere recht gerechtvaardigd is.
4.6.
[eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar recht op bescherming van haar eer en goede naam. Zij heeft dit slechts bloot gesteld in de dagvaarding, maar heeft geen enkel stuk ter onderbouwing in het geding gebracht. Dat sprake is van onrechtmatige uitingen van [gedaagde] is dus niet gebleken en kan niet worden beoordeeld, laat staan dat en zo ja, in welke mate [eiseres] last heeft van deze uitingen. Anders gezegd, onbekend is gebleven welke schade zij lijdt. In zaken zoals deze waarin twee fundamentele rechten met elkaar botsen, moet volkomen helder zijn welke gedraging iemand uit, jegens wie, op welk platform en in welke mate iemand daar last van heeft.
4.7.
Omdat niet aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatig handelt tegen [eiseres] is het gevorderde verbod niet toewijsbaar. Dit geldt eveneens voor de gevorderde veroordeling tot het staken en gestaakt houden van iedere publicatie, verspreiding of openbaarmaking van uitlatingen of gegevens.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.8.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van het
uitgangspunt dat de proceskosten tussen ex-echtgenoten worden gecompenseerd. De
proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde, [gedaagde] ,
5.2.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
3608/638