Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 25 maart 2026 (het tweede tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken;
- de akte naar aanleiding van bewijsopdracht tevens overlegging producties van [eiser] , met producties 16 tot en met 20;
- het verzoek van [gedaagde] van 17 juni 2026 om uitstel voor het nemen van een antwoordakte en de afwijzing van dit verzoek door de rechtbank van dezelfde dag omdat het te laat en onvoldoende gemotiveerd is ingediend;
- de beslissing van de rolrechter van 17 juni 2026 dat het recht van [gedaagde] om een antwoordakte te mogen nemen is vervallen, omdat [gedaagde] op de dag bepaald voor antwoordakte, die akte niet heeft genomen.
2.De verdere beoordeling
De bewijslevering
- welbewust en tegen beter weten in meer zekerheid te beloven dan te geven;
- de illusie te wekken dat er ten behoeve van [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht is gevestigd, wetende dat niet aan de vereisten voor overdracht van een zekerheidsrecht aan [eiser] is voldaan;
- willens en wetens een vals en waardeloos certificaat (zie 2.5 van het eerste tussenvonnis) aan [eiser] te verstrekken;
- het ontbreken van de intentie om de door GFE van [eiser] ontvangen geldlening terug te betalen en in dat verband het welbewust doorsluizen van gelden van GFE naar andere entiteiten.
Vestiging van een als eerste ingeschreven “Grundschuld” (eventueel t.g.v. nieuw op te richten GmbH nader te noemen) op het vastgoed nader te noemen object.” [eiser] wist dus, of had kunnen weten, dat de Grundschuld mogelijk ten gunste van de GmbH zou worden gevestigd. Dit staat weliswaar op gespannen voet met het overeengekomen ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht dat niet met zoveel woorden schriftelijk is vastgelegd, maar dat zekerheidsrecht had [gedaagde] voor GFE in theorie ook op een andere manier kunnen regelen. Op zichzelf brengt de inhoud van de overeenkomst tussen [eiser] en GFE in elk geval niet mee dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het vestigen van de Grundschuld ten gunste van de GmbH, omdat daarmee uitvoering is gegeven aan de schriftelijke overeenkomst.
- Griffierecht € 86,00
- Salaris advocaat € 13.030,50 (3,5 punten
€ 189,00(plus eventuele verhoging)
3.De beslissing
€ 13.305,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,