ECLI:NL:RBROT:2026:8840

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
10/334649-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot dwangverpleging ter beschikking gestelde ondanks overtreding voorwaarden

De rechtbank Rotterdam behandelt een vordering van het openbaar ministerie tot het alsnog bevelen van dwangverpleging van een ter beschikking gestelde die zich niet aan de voorwaarden van zijn tbs-maatregel hield. De terbeschikkingstelling was gelast wegens belaging en bedreiging met zware mishandeling, met aanvang op 16 juli 2025.

Na een eerdere afwijzing van voorlopige verpleging door de rechter-commissaris, startte het OM een nieuwe vordering. Tijdens de zittingen werden de ter beschikking gestelde, zijn raadsman, de officier van justitie en een deskundige van de reclassering gehoord. De reclassering adviseerde om de tbs-maatregel om te zetten in verpleging van overheidswege vanwege het niet naleven van voorwaarden en het voortijdig beëindigen van ambulante behandeling.

De rechtbank constateert dat hoewel de ter beschikking gestelde de voorwaarden overtrad en de eerste ambulante behandeling negatief eindigde, hij inmiddels een nieuwe behandelpoging bij een andere zorginstelling is gestart. Er zijn sinds februari 2026 geen ernstige incidenten geweest. De rechtbank acht een omzetting van de tbs-maatregel op dit moment niet wenselijk omdat dit de nieuwe behandeling zou doorkruisen.

De rechtbank wijst daarom de vordering van het OM af en benadrukt dat het nu aan de ter beschikking gestelde is om te laten zien dat de nieuwe behandeling succesvol kan zijn en dat hij zich aan de voorwaarden kan houden. Het OM kan binnen veertien dagen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot dwangverpleging af omdat een nieuwe ambulante behandeling is gestart en een omzetting de behandeling zou doorkruisen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/334649-24
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[ter beschikking gestelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaats] ,
raadsman mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 april 2025 is de terbeschikkingstelling van
[ter beschikking gestelde] gelast met voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde.
De terbeschikkingstelling is gelast ter zake van belaging en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 16 juli 2025.
Op 3 februari 2026 heeft het openbaar ministerie een vordering bij de rechter-commissaris ingediend tot voorlopige verpleging van overheidswege, wegens het door de ter beschikking gestelde niet naleven van één of meer bij de maatregel gestelde voorwaarden.
Op 4 februari 2026 heeft de rechter-commissaris de vordering voorlopige verpleging van overheidswege afgewezen.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 5 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot het alsnog bevelen van de dwangverpleging van de ter beschikking gestelde.
Op de openbare terechtzitting van 4 maart 2026 is de behandeling van de vordering aangevangen, waarna het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst voor nadere rapportage door de reclassering over mogelijkheden om de behandeling van de ter beschikking gestelde eventueel onder voorwaarden voort te zetten.
Op de openbare terechtzitting van 15 mei 2026 is het onderzoek hervat en opnieuw aangehouden omdat nog geen aanvullende reclasseringrapportage beschikbaar was.
Op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026 is de behandeling van de vordering hervat. De officier van justitie mr. S. Verhoek, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en de deskundige [naam deskundige] (namens [persoon A] ), werkzaam als [functie] bij Reclassering Nederland, zijn gehoord.
Het einde van de terechtzitting wordt namens het slachtoffer [slachtoffer] bijgewoond door mr. M.P. de Klerk, advocaat te ’s-Gravenhage, waarbij de voorzitter kort verslag doet van hetgeen buiten zijn aanwezigheid tijdens de zitting is besproken.

3.Advies

Advies reclassering
De reclassering heeft in haar rapport van 2 februari 2026, aangevuld in het rapport van 25 februari 2026, een advies uitgebracht om de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
De reclassering concludeert dat de ter beschikking gestelde zich niet houdt aan de voorwaarden. De door de rechtbank noodzakelijk geachte ambulante behandeling is op 22 januari 2026 voortijdig negatief beëindigd. De ter beschikking gestelde toont geen intrinsieke behandelmotivatie, is onvoldoende meewerkend en is niet in staat tot het formuleren van concrete behandeldoelen. Hierdoor kan er geen daadwerkelijke gedragsverandering worden bewerkstelligd. Binnen het huidige kader heeft de reclassering daarnaast onvoldoende zicht op de bezigheden van de ter beschikking gestelde. Omdat de behandeling niet van de grond is gekomen, is er nog niets veranderd aan de onderliggende problematiek en is het risico op nieuw partnergeweld nog altijd hoog.
Nadat de rechter-commissaris op 4 februari 2026 de voorlopige omzetting van de tbs-maatregel heeft afgewezen, heeft de reclassering opnieuw gekeken naar mogelijkheden voor een ambulante behandeling. Op 12 maart 2026 heeft de ter beschikking gestelde een intakegesprek bij [zorginstelling] . Er bestaat echter twijfel bij de reclassering over de haalbaarheid van ambulante behandeling. De ter beschikking gestelde toont geen enkel zelfinzicht en ontkent deels de feiten waarvoor hij veroordeeld is. Dit maakt dat de reclassering de kans van slagen in een ambulant kader als gering inschat.
De deskundige, [naam deskundige] , heeft het standpunt van de reclassering op de terechtzitting bevestigd. In aanvulling daarop heeft zij verklaard zich te realiseren dat, ondanks de bedenkingen van de reclassering over de haalbaarheid van een ambulant traject, er op dit moment geen acute reden is om de tbs-maatregel om te zetten. De behandeling bij [zorginstelling] is inmiddels gestart. De komende periode zal moeten blijken of de ambulante behandeling van de grond komt en of de ter beschikking gestelde zijn stelling dat hij hiervoor weldegelijk gemotiveerd is, waar kan maken. Wat de reclassering betreft komt deze zitting dan ook te vroeg voor een nader advies.

4.Standpunt van partijen

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de vordering voor bepaalde tijd aan te houden tot 29 september 2026, om het verloop van de ambulante behandeling af te wachten.
Standpunt van de ter beschikking gestelde
De ter beschikking gestelde en de raadsman hebben afwijzing van de vordering tot het alsnog verplegen van overheidswege bepleit.

5.Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de ter beschikking gestelde zich niet heeft gehouden aan de bij zijn veroordeling gestelde voorwaarden en dat de ambulante behandeling bij Fivoor voortijdig negatief is beëindigd. Inmiddels is hij gestart met een nieuwe behandelpoging bij [zorginstelling] . Los van de door de reclassering beschreven overtredingen van de voorwaarden, hebben zich sinds februari 2026 geen ernstige incidenten voorgedaan. Een omzetting van de tbs-maatregel zou op dit moment de nog prille nieuwe behandelpoging doorkruisen. De rechtbank acht dit niet wenselijk en ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om het onderzoek opnieuw aan te houden voor een tussenevaluatie van het behandelverloop dit najaar. Zij zal de vordering tot het alsnog verplegen van overheidswege daarom afwijzen. Het is nu aan de ter beschikking gestelde om te laten zien dat de tweede behandelpoging wel succesvol is en dat hij in goede samenwerking met zijn behandelaars en de reclassering in staat is om zich te houden aan de gestelde voorwaarden.

6.Beslissing

De rechtbank:
wijst afde vordering van de officier van justitie tot het alsnog bevelen van de dwangverpleging van de ter beschikking gestelde.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.