ECLI:NL:RBROT:2026:8838

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
10/691154-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens psychische stoornissen en recidiverisico

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 juni 2026 besloten de terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging van de ter beschikking gestelde te verlengen met één jaar. De TBS is opgelegd na een arrest van het gerechtshof Den Haag in 2013 wegens poging tot doodslag en bedreiging. De maatregel loopt sinds 17 juni 2015 en was reeds verlengd tot 2 juli 2026.

De verlengingsvordering van het openbaar ministerie werd behandeld in aanwezigheid van de ter beschikking gestelde, zijn raadsvrouw en een deskundige van de behandelinstelling. De instelling adviseerde verlenging met twee jaar vanwege een combinatie van antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen, middelenmisbruik, een schizoaffectieve stoornis en ADHD. De behandeling stagneerde sinds januari 2026 na incidenten en overtreding van verlofvoorwaarden, met terugplaatsing in de kliniek tot gevolg.

De rechtbank concludeerde dat er sprake is van een ernstige psychische stoornis en een hoog risico op terugval in gewelddadig gedrag, waardoor verlenging noodzakelijk is. Een voorwaardelijke beëindiging is op dit moment prematuur vanwege de patstelling in de behandeling en onvoldoende medewerking van de ter beschikking gestelde. De rechtbank verlengde de TBS daarom met één jaar, ondanks het advies van het openbaar ministerie voor twee jaar, en zal de situatie volgend jaar opnieuw beoordelen.

De ter beschikking gestelde had primair verzocht om aanhouding van de vordering voor nader onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging, subsidiair om verlenging met één jaar. De rechtbank wees het aanhoudingsverzoek af en volgde het subsidiaire verzoek. De totale duur van de TBS zal hiermee ruim vier jaar bedragen, wat geoorloofd is gezien de aard van de gepleegde misdrijven.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met één jaar en wijst een voorwaardelijke beëindiging af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/691154-12
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[ter beschikking gestelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] te [plaats 1] (de instelling),
raadsvrouw mr. S. Marjanovic, advocaat te 's-Gravenhage.

1.Inleiding

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2013 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.
De terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 17 juni 2015.
Bij beslissing van deze rechtbank van 2 juli 2025 is de terbeschikkingstelling laatstelijk verlengd met één jaar.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 30 april 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel later toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026 behandeld. De officier van justitie mr. S. Verhoek, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de deskundige [naam deskundige] , werkzaam als [GZ-medewerker] bij de instelling, zijn gehoord.

3.Advies

Advies instelling
De instelling adviseert in het rapport, gedateerd 16 april 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.
Bij de ter beschikking gestelde is sprake van een antisociale en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van diverse middelen en een schizoaffectieve stoornis. Daarnaast is ADHD vastgesteld. Zonder het kader van de terbeschikkingstelling wordt het risico op een terugval in gewelddadig gedrag ingeschat als hoog.
De ter beschikking gestelde is op 29 augustus 2025 verhuisd naar zijn eigen woning in [plaats 2] . Vanaf januari 2026 stagneert de behandeling na een incident binnen zijn relatie; er blijkt al langere tijd sprake van middelenmisbruik en de ter beschikking gestelde houdt zich niet aan de verlofvoorwaarden. Hierop is hij teruggeplaatst in de kliniek en is zijn transmurale verlofmachtiging ingetrokken. De ter beschikking gestelde is thans in afwachting van plaatsing op een reguliere afdeling/leefgroep binnen de kliniek. Hij dient een incidentanalyse te maken met zijn therapeut. Daarnaast zal gewerkt worden aan het vergroten van probleembesef en het verder bewerken van zijn persoonlijkheidsproblematiek, met name de antisociale kern en de terugkerende problemen en agressie binnen relaties. Het verdere verloop van het behandeltraject is afhankelijk van de inzet van de ter beschikking gestelde.
De deskundige, [naam deskundige] , heeft dit standpunt op de terechtzitting bevestigd. In aanvulling daarop heeft zij verklaard dat op dit moment sprake is van een patstelling en dat de samenwerking tussen de ter beschikking gestelde en zijn behandelaars hersteld moet worden. Eind april 2026 is bekend geworden dat de ter beschikking gestelde sinds februari 2026 brieven verstuurt naar zijn ex en hiermee het contactverbod overtreedt. Ook is sprake van misbruik van Ritalin, welke medicatie niet is voorgeschreven aan de ter beschikking gestelde. De komende periode zal worden gekeken of de behandeling opnieuw van de grond gaat komen. Er ligt een duidelijk behandelindicatie die naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen. Een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel binnen één jaar is tegen die achtergrond niet aan de orde.

4.Standpunt van partijen

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Standpunt van de ter beschikking gestelde
De ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben primair verzocht om aanhouding van de vordering om onderzoek te doen naar mogelijkheden tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Subsidiair hebben zij verlenging van de terbeschikkingstelling bepleit met één jaar.

5.Beoordeling

Op grond van het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:
- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling wordt verlengd.
Voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is mogelijk als het delictgevaar, samenhangend met een bij de ter beschikking gestelde vastgestelde psychische stoornis, in die mate is teruggebracht dat het verantwoord is de verpleging onder voorwaarden te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging op dit moment prematuur is, zodat het aanhoudingsverzoek voor nader onderzoek door de reclassering zal worden afgewezen. Immers blijkt dat er een duidelijke behandelindicatie is die naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen. Een voorwaardelijke beëindiging is op dit moment dan ook niet aan de orde.
Wel ziet de rechtbank, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, aanleiding om de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar. De rechtbank stelt vast dat de ter beschikking gestelde na meerdere incidenten in de periode dat hij buiten de kliniek in een eigen woning verbleef, is teruggeplaatst in de kliniek en dat de behandelaars spreken van een impasse in de behandeling. Uit het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting blijkt dat de ter beschikking gestelde op dit moment onvoldoende bereid is om opnieuw de samenwerking te zoeken met zijn behandelaars en actief mee te werken aan een doorstart van zijn behandeling. De rechtbank betreurt dit en begrijpt de teleurstelling van de ter beschikking gestelde over zijn terugplaatsing in de kliniek, nadat zijn resocialisatietraject al ver was gevorderd, maar onderschrijft ook het standpunt van de behandelaars dat een nadere gedragskundige analyse van de genoemde incidenten noodzakelijk is om dit traject opnieuw vorm te kunnen geven. Hoewel niet wordt verwacht dat een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel al over een jaar aan de orde zal zijn, ziet de rechtbank in de dreigende stagnatie van de behandeling reden om de stand van zaken volgend jaar opnieuw op zitting te bespreken.
De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gaat door de verlenging een periode van vier jaar te boven. Verlenging is niettemin mogelijk, omdat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

6.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met
1 (één) jaar;
wijst afhet meer of anders gevorderde of verzochte.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.