2.3.1.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door zijn vrachtwagen met oplegger te parkeren op een voorrangsweg zonder daarbij verlichting te voeren, als gevolg waarvan [slachtoffer] tegen de vrachtwagen is aangebotst en is komen te overlijden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het primaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte
Ik heb mijn vrachtwagen met oplegger op 27 juni 2024 op de rechter rijbaan van de Professor Gerbrandyweg geparkeerd in Rotterdam. De verlichting van de vrachtwagen en oplegger was niet aan toen ik daar geparkeerd stond.
2.
Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyseDe Professor Gerbrandyweg bestond ter plaatse van het ongeval uit één rijbaan en was verdeeld in twee rijstroken; één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van de Botlekweg en één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van het terrein van de Botlek Terminal.
De maximumsnelheid ter plaatse 80 km/u was als gevolg van artikel 21 onder a van
het RVV 1990.
Voor bestuurders die de Professor Gerbrandyweg vanaf de Botlekweg of vanaf de Torontostraat opreden, door middel van borden BI conform bijlage 1 van het RVV 1990 kenbaar werd gemaakt dat de Professor Gerbrandyweg een voorrangsweg betrof.
Voor bestuurders die de Gerbrandyweg vanaf het terrein van de Botlekterminal of Damen Verolme opreden, door middel van bord BI conform bijlage 1 van het RVV 1990 kenbaar werd gemaakt dat de Professor Gerbrandyweg een voorrangsweg betrof.
Wij zagen dat de Iveco en de Stas (de rechtbank begrijpt: de vrachtwagen en de oplegger van de verdachte) bij onze komst ter plaatse geen licht uitstraalde.
De Iveco met de aangekoppelde Stas stond aan de rechterzijde van de rijbaan.
3.
Proces-verbaal van de politie, aanvulling verkeersongevallenanalyse
Uit de berekening volgt dat ook bij een snelheid van 80 km/u de bestuurder van de Suzuki een forse remming had moeten uitvoeren om een aanrijding te voorkomen.
4.
Proces-verbaal van de politieOp 27 juni 2024 werd de lijkschouw verricht bij [slachtoffer] . Uit de bevindingen van de forensisch arts bleek van een niet natuurlijk overlijden ten gevolge van het verkeersongeval.
5.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]
Op 27 juni 2024 reed ik op de Professor Gerbandyweg. Ik werd ingehaald door een motor. Ik zag dat hij onverwachts uitweek. Ik kwam dichterbij en zag toen pas dat er een vrachtwagen stond. Ik zag dat het helemaal donker was bij de vrachtwagen.
6.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 4]
Op 27 juni 2024 reed ik samen met [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) de poort uit bij Damen. [slachtoffer] reed voorop en tussen ons reed een auto. Ik hoorde een klap en zag vonken in de lucht. Ik vond de trailer slecht zichtbaar. Op het moment van de klap reed ik ongeveer de afstand tussen twee lantarenpalen achter [slachtoffer] .
2.3.2.Bewijsmotivering
Inleiding
Op 27 juni 2024 omstreeks 00:05 uur heeft op de Professor Gerbrandyweg te Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een geparkeerde vrachtwagen met oplegger (hierna: voertuigcombinatie) van de verdachte. De motorfiets is tegen de achterzijde van de oplegger gereden ten gevolge waarvan de bestuurder, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is overleden.
Verkeersdeelnemer
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), zoals primair ten laste gelegd, is allereerst vereist dat de verdachte verkeersdeelnemer was.
De rechtbank overweegt dat de verdachte als laatste feitelijke bestuurder ervoor verantwoordelijk is dat zijn voertuigcombinatie zich op de betreffende plek van het ongeval bevond, zodat hij ook op het tijdstip van het ongeval als verkeersdeelnemer en bestuurder had te gelden. De rechtbank beschouwt verdachte dan ook als verkeersdeelnemer als bedoeld in artikel 6 WVW.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte aan het verkeersongeval schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
De Professor Gerbrandyweg betreft een voorrangsweg buiten de bebouwde kom en is verdeeld in twee rijstroken: één bestemd voor verkeer in de richting van de Botlekweg en één rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van het terrein van de Botlek Terminal. De maximumsnelheid ter plaatse was 80 km/u. De verdachte heeft in strijd met artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rvv) zijn voertuigcombinatie geparkeerd aan de rechterzijde van de Professor Gerbrandyweg. De verdachte is in de cabine van zijn vrachtwagen blijven zitten. De voertuigcombinatie blokkeerde vrijwel de gehele rechter rijstrook. Op het moment dat het donker werd, heeft de verdachte nagelaten de achterlichten van zijn oplegger te ontsteken, terwijl dit op grond van artikel 39 van de Rvv verplicht is. Hoewel de voertuigcombinatie stond geparkeerd onder een lantarenpaal en was voorzien van reflectoren was de achterzijde van de oplegger slecht zichtbaar voor de andere verkeersdeelnemers zoals meerdere getuigen ook hebben verklaard. Als gevolg hiervan is de bestuurder van de motorfiets tegen de achterzijde van de oplegger aangereden en komen te overlijden.
De rechtbank is van oordeel dat het parkeren van de voertuigcombinatie op een rijstrook van een provinciale weg in combinatie met het onverlicht laten van de oplegger aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het verkeersongeval aan verdachtes schuld te wijten is. Van een beroepschauffeur mag worden verwacht dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van het andere verkeer en dat hij zich houdt aan de voor hem geldende verkeersregels. Daarin is de verdachte ernstig tekort geschoten.
Medeschuld
Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat sprake is van medeschuld van het slachtoffer, merkt de rechtbank het volgende op.
In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van de slachtoffers, de schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. Medeschuld van anderen is derhalve voor de vaststelling van de strafrechtelijke schuld niet direct relevant, de eigen schuld staat centraal.In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn. De onvoorzichtigheid van de ander(en) moet dan zo groot zijn geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is geen sprake. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de aanvulling op de verkeersongevallenanalyse volgt dat ook wanneer het slachtoffer van de motorfiets zich aan de maximumsnelheid had gehouden hij een forse remming had moeten uitvoeren om een aanrijding te voorkomen. Dat het slachtoffer veel harder reed dan was toegestaan, neemt naar het oordeel van de rechtbank de onvoorzichtigheid van de verdachte door zijn voertuigcombinatie onverlicht buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg te parkeren, niet weg.
Het verweer wordt dan ook verworpen.
2.3.3.Volledige bewezenverklaring
Feit 1 primair
hij, op 27 juni 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
inzittende van een geparkeerde vrachtwagen met oplegger, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig, op enig moment,
- in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement
Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, die vrachtwagen met oplegger te parkeren aan de rechterzijde van de rijbaan van de Professor Gerbrandyweg, en zulks
- terwijl die oplegger geen achterlicht voerde, terwijl dit volgens artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 verplicht was, waarna een bestuurder ( [slachtoffer] ) van een motorvoertuig (motor) tegen de achterzijde van die (onverlichte) oplegger is gereden of gebotst, ten gevolge waarvan die bestuurder is overleden.